alle schuld hadden wegens goederentransacties of leningen en geld op lange termijnen in deposito hadden genomen. Gevaarlijk voor de Unie als een deel van de welvaart rustte op schuld aan buitenlanders, flitste het door zijn hoofd. Als de oorlog zou worden verloren en de kredieten werden opgezegd... wat dan? De klap zou dan hard aankomen, want voor een appel en een ei zouden enorme voorraden moeten worden afgestoten om deze schulden te voldoen. En als die Engelse kapers nog brutaler werden, als nog meer koopvaarders werden overmand, inderdaad... het ging om leven of dood.
Isaï wachtte geduldig, glimlachte om Reinier Vinck, die telkens en telkens de papieren rangschikte zonder ze nauwkeurig te lezen.
„Niet goed, koopman Vinck?”
Reinier Vinck schrok ervan, zo was hij in gedachten verdiept. „Voortreffelijk, voortreffelijk, mijnheer Krumbach. Ik zal u morgen de facturen overhandigen. En ik heb goede verwachtingen inzake de verschepingen,” zei hij vriendelijk. „En ik wilde u een dronk aanbieden op deze transactie.”
Isaï knikte toestemmend. Dat was een goed ding, daarom zou Jokel Hirsch zich in de handen wrijven als hij straks uit het rapport vernam, dat zijn reisfactor en dus ook zijn firma volledig waren geaccepteerd door de Amsterdamse handel. Hij hoorde Jokel Hirsch al zeggen tegen zijn vrouw: „Gezecht hot er mit der goi, Siisse, wot a kowed, wot a kowed, gold steekt da drin.”
Langzaam wandelden zij de Beurs uit, volgens de gewoonte van het land. Nooit snel het gevechtsterrein van de handel verlaten, daarvan zou men opkijken en denken aan catastrofen, wat niet goed is voor het krediet. Altijd langzaam en waardig, links en rechts groetend, onopvallend spiedend naar wie met wie praat, dan combineren en een hypothese opbouwen, die dikwijls juist blijkt en waardoor men tijdig zijn prijzen vasthoudt of loslaat.
Voor zijn pilaar bij de uitgang stond John Cambell. Hij groette hen, wat hoogmoedig beheerst, en keek doordringend naar Isaï Krumbach. Reinier Vinck bemerkte het en vroeg, nadat zij teruggegroet hadden en het portaal waren door gewandeld:
„Kent u deze Engelse koopman?”
„Sinds gisteren, koopman Vinck. Hij sprak mij aan voor de Beurs. Hij zei vernomen te hebben, dat joffer Genendel Kossmann, mijn bruid, leningen in de Duitse landen kon plaatsen. En of zij offerte wilde afgeven voor twee miljoen thaler.”
141