wen wat opgetrokken, zijn houding waarmee hij altijd uitdrukte: „Nah, wat moet men met zo’n narrente beginnen?”
En hij volgde zijn vrouw om in de huisapotheek iets kalmerends voor haar te bereiden.
Isaï liep naar de schouw. Pakte de koperen handvatten en tuurde in de vlammen. Genendel was weer gaan zitten. Ze spraken niet.
Toen keek hij terzij naar haar. In haar oogholten waren zware schaduwen, de vlammen kleurden haar gezicht, dan licht, dan donker. Ook zij tuurde. En hij zag een traan in haar ooghoek schitteren. En hij keek peinzend naar die traan. En zij rees op en stond naast hem voor het vuur. En hij voelde haar koele hand op de zijne, licht en zacht en vrouwelijk. En hij voelde warmte door zijn lichaam stromen en haar beheerste innige genegenheid voor hem, Isaï, de eenzame, de speelman, de zwerver. En hij zegde: „Genendel... mijn bruid.”
De dag na het uitbundige verlovingsfeest, dat Reize had aangericht voor deze jonge mensen, die haar leven geworden waren, kwam Genendel in de kamer van Isaï. Ze liep er eerst rond, hier en daar wat schikkend. Ook keek zij uit het raam naar beneden op de kale binnenplaats en toen één moment aandachtig naar het venster aan de overzij, dat grimmig gesloten leek. Nogmaals ging zij rond in de kamer, opende de vioolkist, streek speels met haar slanke vingers over de snaren en sloot behoedzaam. Wat verbaasd volgde Isaï haar met de ogen. Zij ging tegenover hem zitten, glimlachte en zei:
„Isaï, ik heb wissels op Amsterdam voor je.”
Hij antwoordde eerst niet, hij had verlangd dat zij zou vragen om voor haar te spelen... zij sprak van wissels. Toen vroeg hij:
„Hoe wist je dat, Genendel?”
„Tante Reize en oom Chajim. Voortaan kun je me alles vertellen, Isaï, ik zal je helpen zoveel ik kan.”
„Hoe kom je aan dat papier, Genendel, en zo vlug?” vervolgde hij wat stroef.
„Ik heb geschreven aan Samuël Mirels, aan Hirschel Ries in Altona, maar vooral aan Meïr Ballin. Ik zal van hen erven, over honderd jaar.”
Hij glimlachte, omdat zij niet vergat haar erflaters honderd levensjaren toe te wensen en, als zij zo oud werden, pas over een halve eeuw erfgename zou worden. Maar zij bleef ernstig en vervolgde:
„Zij hebben per ijlkoerier wissels gezonden. Tweehonderdduizend gulden. Is dat genoeg, Isaï?”
138