omdat het zelf gegeseld werd, omdat het zelf de brandstapels kende en bungelende lijken aan de posten van zijn deuren. Leef hier Isaï, onder een mild bestuur. En trek van hier uit over Europa, van qehiloh tot qehiloh en weer terug naar het goede vaste huis, waar Genendel zal wachten. Gebonden! Gebonden!! Voort, voort, voort naar die stad, naar... Genendel.
Dan is hij thuis bij Chajim Todelche. Hij staat in de kamer en verspreidt de winterkoude om zich heen. Zijn gezicht is vermoeid, nog rood van de snelle tocht en de felle wind. Zijn grijze ogen hebben nog de verteblik. Hij groet en glimlacht naar tante Reize, naar Chajim Todelche, naar Genendel, die te zamen bij het vuur zitten als stille bezorgde mensen. Een overdadig avondbrood stond onaangeroerd op de tafel te wachten.
Reize staat op, kijkt hem aan alsof hij uit de dood is opgestaan, slaat de handen voor de ogen en bidt. Dan zegt ze:
„God zij geloofd en gedankt... waar was je? De hele stad hebben we afgevraagd, ons hele avondbrood verstoord! Oi... kan men niet zeggen wanneer men terugkomt?... Hoe kan men zijn huisgenoten zo in zorgen laten zitten! ”
„Ik ben op de schaats naar buiten gereden, tante Reize, een flinke tocht. Dat heeft mij goed gedaan, na al die dagen binnen de muren.”
„Op de schaats? Als een goi op de schaats!! Moet je verstijven, moet je God bewaar in een wak rijden! Een ander blijft besholaum binnen bij het vuur en eet wat en speelt wat triktrak... of, of... désnoods viool. Maar op de schaats?!! ”
Nerveus loopt zij op en neer, opeens barst zij in tranen uit en slaat haar schort voor de ogen, roept:
„Zit ik in zorgen, zie ’m al thuisbrengen, verdronken... en niemand in huis kan eten van angst en verdriet en hij... hij schaatst... in de nacht! Gott oh Gott.”
Genendel rijst op, zegt met effen beheerste stem:
„Er is geen reden om te weeklagen, tante Reize. Isaï is gezond terug en hij is een man, die weet wat hij wil en doet.”
Opeens is Reize stil, staart naar Genendel en zegt verbaasd:
„Hoe kan men!” en snelt de kamer uit, ten prooi aan een nieuwe hevige huilbui.
Ook Chajim Todelche stond op, glimlachte op zijn eigenaardige manier en spreidde de armen, hield het hoofd wat opzij, de wenkbrau-
137