deel van het Ik, nog geen basis voor het verdere leven. Dit land is goed, het biedt kansen aan een koopman, aan de man... van Genendel. Zij is rijk, zegt tante Reize, des te erger voor een arme reisfactor, want altijd zal er de stille hoogmoed zijn van Genendel om haar rijkdom bóven zijn armoe. Wachten dan Genendel, wachten totdat er een kapitaaltje is verdiend, totdat we gelijke partijen zijn volgens de joodse gewoonte. Genendel! Tante Reize fluistert iedere dag van haar schoonheid, van haar deugd, van haar geld... van het geschenk des hemels. Waarom dat aandringen, hij heeft toch beloofd... hij zal haar vragen, hij zal... weg de vrijheid... weg die eenheid met de Schepping. Er zal geen dag meer zijn als deze, dat een man uitzwiert naar de verte, los van zaken. De zorgen zullen komen, het gevecht om brood voor het gezin, de stille eis van Genendel om een verzekerd leven voor de kinderen en voor haar. En hij zal verslag moeten geven aan Genendel over zijn doen en laten, want zij is ernstig en kent geen wanorde in zaken. Jokel Hirsch kan men verlaten en reisfactor zijn van een andere qocin. In Frankfort, in Hamburg, in Altona... in Bern... in... overal. Maar Genendel kan men niet meer verlaten. Waarom haar verlaten? Zij is mooi en rijzig en fris en stil... en sterk. Ze zal een goede moeder zijn, ze zal niet lonken als die blonde vrouw voor wie hij speelde. Zij zal hem niet liefkozen of in zijn armen liggen om willoos verzaligd zich over te geven aan zijn liefde en passie. Genendel zal haar plicht doen en dulden. En opstaan en zich wassen...
De avond valt, de sterren verschijnen, koud maanlicht zal straks over de velden zijn en de wereld tekenen als in de oerdagen. Ga terug, Isaï, ga terug naar de mensen, bij de mensen is je brood, je leven... je dood. Daar is de stad. Een profiel van sterke muren en torens, een machtige stenen zekerheid in een onwezenlijk landschap. Amsterdam, de grootste koopstad van het westen met vele duizenden binnen haar muren, met handelsgoederen en rijkdom, met armoe, met moord en diefstal en ontucht, met charitas en wijsheid, met angsten en moed, met alles wat menselijk is. Terug, Isaï, naar die stad, naar het warme nest van Chajim Todelche. Pas op dat wak, Isaï, je bent te jong om te sterven in de eenzaamheid van dit polderland, je moet leven, Isaï. Dat is de Wet van de joden. Je kunt geen zwerver en speelman zijn, want je bent een jood. Vreemd, vreemd, samen zijn de joden zwervers, hele gemeenten moeten trekken, moeten zwerven van land tot land... maar alleen kan een jood niet zwerven, hij zal gedood worden, vroeg of laat. Dit volk is goed, Isaï. Het kent geen bloeddorst, het is verdraagzaam
136