„Nou... ik naar boven, toen naar de keuken en kom plechtig terug met een smoorpan... zet die voor hem neer en wacht. Hij licht het deksel op, argwanend, nou... daar lagen de goudstukken!! Van uw lening, koopman Vinck! Nou... Ysbrandtje, tellen beste man, daar is de hele rest van de schuld en hier, jongen, teken maar... de kwijtbrief, waarmee Anna Swaerdemaeckers onbezwaard eigenaresse wordt van 'De Lenteblom’. Oh... dat smoel, koopman Vinck, dat smoel van hem. En hij maar jammeren... da’s nou voor mijn Sinterklaas, da’s nou voor mijn Sinterklaas!! Nou... en telkens kwam ie in de war met tellen en dan vloekte hij met zijn tandeloze mond... ggffrr... ggffrrdddmme... en dan weer opnieuw tellen en dat is nou voor mijn Sinterklaas... oh, oh, koopman, wat is dat lachen!”
Anna Swaerdemaeckers wiste zich met haar schort de tranen uit de ogen, haar wangen waren nat en rood. Geamuseerd keek Reinier Vinck haar aan, het verhaal had werkelijk zijn zorgen weggevaagd. Hij nam een slok wijn en vroeg:
„Heeft hij de kwijtbrief getekend?”
„Ja koopman en toen hij getekend had, heb ik hem meteen de huur van zijn kamer opgezegd.”
„Zo, zo, dat is fors toegegaan, waardin.”
„Ja... ’t moest nou maar eens uit zijn en bovendien wil ik nou eens genieten van de prachtige voorkamer. Weet u, koopman Vinck, als je in die kamer slaapt, word je in de zomer gewekt door de zon. Als je uit het venster buigt, zie je het IJ, met zijn schepen, met zijn verre horizon. Koopman Vinck, de zon en het water en de wolken en de hemel!! En dat allemaal vanuit die kamer, daar heb ik naar verlangd vanaf de eerste dag, dat ik hier als werkmeid begon.”
Reinier Vinck beschouwde wat tersluiks haar nu ernstig gezicht. Wat een wilskracht, wat een levensdrang, wat een verbetenheid om haar stand te ontvluchten. Een zelfstandige bazin wilde ze zijn en het was haar gelukt. Zou Holland zo groot geworden zijn door zijn vrouwen? Door haar vrolijkheid en ernst, haar nuchterheid en werklust? Haar huiselijkheid en kordaatheid? Ja, veel, heel veel van de welvaart en de vrijheid kwam op haar rekening.
„En wanneer gaat hij weg, Anna?”
„Hij is al weg. Daarin was ie toch een kerel. Moet u horen!”
Opnieuw overviel haar een lachbui.
„Moet u horen! We lagen al te bed, toen er gebonsd werd... ik stond te trillen op mijn benen. Nou en daar beneden voor de deur hing Ys-
128