„Gemeld kunnen we het niet noemen, althans niet in de zin zoals wij dat opvatten. Stomdronken kwam hij in mijn comptoir. Ik heb een half uur lang getracht met hem te praten en dat in een walm van bier en jenever. Het resultaat? Hij wilde me bijna met geweld ronselen voor de vloot. Als tweede.”
„Zeer voortvarend, dat is de man die u zoekt, mijnheer de secretaris,” zei de Schout, terwijl zijn ogen twinkelden van pret en de lachplooitjes aan zijn slapen scherp tekenden, „ en wie had de eer nummer één te zijn?
„Die eer is voor Mijne Heren van de Gerechte. Volgens zijn gelal had Pieter Ravesteyn, uw substituut, zich als nummer één gemeld. We hebben hem ingeschreven om straks te komen monsteren bij de Waterschout.”
Het was nu de beurt voor Siebe Montanus om te glimlachen. De Schout keek een beetje verbluft.
„En wat hebt u met Ysbrandt de Graef gedaan, mijnheer de secretaris?” „Ik heb hem naar 'De Lenteblom’ laten brengen, maar de waardin liet hem er niet in. Vier vrouwen in huis en dan een dronken kerel, dat risico nam ze niet. In arren moede hebben mijn mensen hem naar de Banjaart gebracht. We wachten nu af, mijnheer de Schout, of de hulp van een poorter van Amsterdam beslissend wordt voor de afloop van de oorlog.”
„De poorters van Amsterdam hebben altijd de spits afgebeten, mijnheer de secretaris. Zij achten ’t daarom slechts een gering offer voor de Admiraliteit om de onkosten van de onderschout te voldoen.”
Ze waren langzaam tot het huis van de Schout gewandeld en stonden nu stil.
„Naast de geringe moeite om Engeland te verslaan, neemt de Admiraliteit ook nog deze zware last van de ruggen uwer poorters,” zei de secretaris beheerst.
„Ik waardeer het gevoel voor juiste verhoudingen van de Admiraliteit,” antwoordde de Schout hoofdknikkend.
„En de Admiraliteit bewondert de nauwkeurigheid voor details van Mijne Heren van de Gerechte. Gezegende maaltijd, mijnheer de Schout.”
De secretaris maakte een kleine buiging en zij lichtten hun hoeden. De Schout besteeg waardig zijn stoep en de secretaris wandelde verder, maar zijn maaltijd was bedorven... die negocianten, die tollenaars... Christus had ze niet ten onrechte uit de tempel geranseld. En in zijn
121