„Zoals altijd... aan het IJ... in de Stadsherberg. Daar levert hij nu zijn zeeslagen en kaapt Portugese kraken... een mannenleven, mijnheer de onderschout. Wat mag ik voor u inschenken?”
„Niets, waardin.”„Bent u ziek? Kou gevat in de nacht? Op het water?... Niets beter dan een warme Westindische rum, mijnheer de onderschout.”
Het kirrende, spottende overheerste nu in haar stem, het lokkende was er uit. Hij omvatte met zijn oersterke knuisten het hekje, waarachter dat eeuwige kasboek lag. Het kraakte in zijn ijzeren greep. Zijn ogen hield hij een moment gesloten, zijn kaken klemden opeen, zijn knevel trilde. Met uiterste inspanning onderdrukte hij zijn drift. Toen hij de ogen opsloeg, keek hij pal in de hare. Zij glansden nu... wat een ogen... wat een wereld van spot en hartstocht en verlokking en... terugstoting. Zo intens had hij haar nog nooit aangestaard, deze vrouw had hij nooit gezien, had hij vergeten om zijn talrijke liefjes, had hij nonchalant uit zijn handen laten glippen. Toen zij kostkinderen waren, had zij zich volkomen onder zijn bescherming geplaatst en was hij de sterke Pieter voor haar geweest. Toen! Wat kan een man zijn leven verwoesten! Daar stond zijn huisvrouw... daar, achter die toog! En dat wijf hoonde hem. Die ogen! Zij werden steeds spottender, haar blikken gleden langs zijn lichaam, zij boog zich over de toog om hem ten voeten uit te kunnen zien. Hij wist het, zij ontkleedde hem met die blik, zag zijn harige forse benen, zag hem weer onder het rode apenmanteltje van Philippe de Haen, dat zijn schaamte nauwelijks bedekt had.
Haar blik gleed weer terug, langs zijn borst, zijn mond. Weer keken zij elkander aan. Haar gelaat was nu hoogrood, hij keek wat benauwd... en zij, haar ogen werden nu zo licht en dan opeens verborg zij haar gezicht met haar schort. En proestte het uit en schaterde zo, dat alle gasten geamuseerd opkeken. Anna Swaerdemaeckers rende de herberg uit en kwam eerst bij de Vismarkt tot bedaren.
En Dirckje Swaen dook naast hem op. Eerst zag hij haar niet, hoewel hij haar recht in de ogen keek. Maar langzaam drong het tot hem door, dat twee tranen in haar lieve ogen stonden. Lieve ogen, lief moederlijk gezicht... lief... lief... en zacht! En dat nu! Terwijl hij een kerel zou kunnen neerslaan. Lief en zacht! Weg dat!! Weg dat!!!... Als een vent een duivelin zou willen kraken.
Met een machtige zwaai duwde hij haar weg, zij kwakte terzij tegen de toog. Met reuzenstappen verliet hij de herberg, blind van drift, zijn hart hamerend als een moker.
115