hopen dat zij er geen advocaat bij haalde om de provoost te dagvaarden. Ah... dan zou men die President-Schepen tekeer horen gaan. Lastige, lastige man, maar aan de andere kant was het toch uitstekend, dat recht recht blééf. Tja... wat een fatsoenlijk man voor onfatsoenlijks moet uitdenken om een kundige Schout én een goed vaderlander te zijn. Er werd op de deur geklopt, de klok sloeg tien uur. Pieter Ravesteyn meldde zich om verslag uit te brengen, als altijd precies op de minuut.
De volgende middag ging Pieter Ravesteyn naar 'De Lenteblom’ om te praten met Ysbrandt de Graef. Het was druk in de herberg, na de Sint-Nicolaasavond hadden de mannen, die altijd speelse jongetjes, elkander veel te vertellen. De onderschout glimlachte, het was zoals ieder jaar. Daar stonden ze dan te pronken, met een nieuwe kleurige sjerp, of handschoenen, een hel gele bandelier. Er waren ook fonkelnieuwe kanten kragen, struisveren op een hoed, de in stemmig zwart geklede ouderen zetten soms een been vooruit om de nieuwe zilveren schoengespen te doen opvallen. Ja... de Hollandse huisvrouw was gul en praktisch, boeken of snoep gaf zij haar man niet cadeau.
Zo zelfbewust mogelijk begaf de onderschout zich langzaam naar de toog. Als de Schout het hem niet had opgedragen, zou hij zeker niet meer in 'De Lenteblom’ gekomen zijn. Een grote onverklaarbare tegenzin had hem de laatste tijd bevangen.
Dirckje Swaen bloosde diep toen zij hem zag, ze werd onrustig en schichtig en jachtte zich tussen de gasten om de bestellingen rond te brengen. Het was alsof zij zich voor hem wilde verbergen. Anna Swaerdemaeckers, gekleed om naar de markt te gaan, stond wat hoogmoedig achter de toog. Zij keek naar de onderschout met een spottende vonk in haar groengrijze ogen. Een ondefinieerbaar lachje speelde rond haar uitdagende mond, met een koket gebaar schikten haar slanke vingers iets aan haar blanke kleine muts. Met moeite beheerste de onderschout iedere uitdrukking op zijn gezicht, hij wilde nu onder geen beding onder de indruk komen van deze vreemde intens knappe vrouw. Daar stond een waardin... een gewezen werkmeid... én hier... hier! hier!! kwam Pieter Ravesteyn, de eerste substituut van Amsterdam. Zijn laatste stappen dreunden op de plavuizen, zo hevig golfde zijn opwinding én trok zijn verlangen.
„U wenst, mijnheer de onderschout?” Het timbre van haar stem was irriterend, er was iets kirrends in, iets lokkends.
„Is Ysbrandt de Graef in huis?”
114