en waarom zal men een taai-taaivrijer aan de werkmeid schenken? Narrente!”
En tante Reize kuste haar koningin en verliet vlug de kamer. En in haar bed dacht zij aan Isaï en Genendel... onder de goepah.
De volgende morgen las de Schout de registers van de poortwachters door, welke hem iedere morgen werden voorgelegd. Twintig personen waren na sluiting nog binnengelaten en hadden het poortgeld betaald. Aandachtig las de Schout de namen, waarvan twee hem bijzonder opvielen. Die van Isaï Krumbach als enige vreemdeling aan de Utrechtse poort en van Ysbrandt de Graef, die aan de IJzijde bij de Bomen was doorgelaten. De Graef, die ouwe zeeschuimer, was dus eindelijk terug van zijn uitstapje. Straks zou hij dat Siebe Montanus vertellen. En Isaï Krumbach... tja... die naam zei niets. Honderden buitenlandse kooplieden gingen de stad in en uit. Het was onmogelijk om allen te controleren en bovendien niet gewenst voor een koopstad als Amsterdam. De negotie moest zich vrij en onbespied weten, dat bevorderde het zakendoen, het brood van Amsterdam.
De Schout rees op, ging voor het venster staan. Hij keek naar een troep mussen. Een stevige oude mus achtervolgde hardnekkig een ander, viel hem telkens aan en pikte hem kwaadaardig. Steeds wist de oude vogel die ander te vinden en zijn woede op hem te koelen.
De Schout moest glimlachen... het zou Ysbrandt de Graef vergaan als die mus, want hij was van plan om Pieter Ravesteyn opdracht te geven de oude waard over te halen om als ronselaar voor de Admiraliteit te werken.
Het was misschien niet helemaal in orde, de vrijheid van een mens moest geëerbiedigd worden zolang hij niets had misdaan, maar een mens is gemakzuchtig, vooral als ’t hem goed gaat... en het was Ysbrandt blijkbaar voor de wind gegaan, gezien zijn transactie met Simon de Bye en de hoge afbetaling, die de waardin van 'De Lente-blom’ iedere maand trouw deed... tja... oorlog is oorlog, voor iedereen, óók voor die ouwe waard.
De mussen waren opgevlogen, de Schout boog zich wat voorover om te zien op welke dakrand ze waren neergestreken. Kijk, daar waren ze weer. De ongelukkige mus werd nu door twee andere aangevallen en vocht dapper terug. Twee, peinsde de Schout, twee!... Weer glimlachte hij. Hij moest weer denken aan Ysbrandt de Graef, nog een klein onheil hing boven z’n hoofd. Maar dat moest wat uitgesteld worden... hij
112