op tafel. Maar Isaï Krumbach rookte niet, de dokter daarentegen met genoegen ondanks de verwijtende blik van Reize, die maar niet kon begrijpen hoe haar Chajim aan het „geschmack van een goishe schipper kwam” en bovendien niet gevraagd had aan de Raw of het wel mocht. „Hoe lang wilt u hier blijven, Isaï?” vroeg de dokter.
„Laat hem met rust, Chajim,” riep Reize boos; „hij heeft z’n eten nog niet door zijn keel of jij moet zo nodig vragen wanneer hij vertrekt. Heeft Abraham de Engel gevraagd wanneer hij weg zou gaan?”
De dokter schokte een beetje boos met de schouders en blies achter elkaar zware rookwolken uit, zodat Reize demonstratief met beide handen de tabakswalm ging verjagen.
„Enkele weken,” antwoordde Isaï, „ik heb veel goederen voor Jokel Hirsch aan te bieden. Morgen zal ik logement zoeken.”
Reize wipte geagiteerd op van haar stoel en riep:
„Logement zoeken! Als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat u ons beledigen wilde. Logement zoeken! Vraag ik! Kan men beter hebben dan hier?... God bewaar, een jehoede in een logement als er een grote qehiloh is?... Laat ik dat niet nog eens horen, Isaï!”
Ook Chajim Todelche protesteerde heftig. Al duurde het een jaar, hier in zijn huis moest Isaï blijven wonen en vandaar uit zijn zaken doen. Isaï accepteerde en allen glimlachten tevreden. Aan de etiquette was voldaan, terwijl ieder wist dat het nooit Isaï’s bedoeling was geweest om ergens anders te logeren dan bij Chajim Todelche, voor wie hij een aanbevelingsbrief van Reize’s zuster bij zich droeg. En als vanzelfsprekend werd er die avond niet meer gepraat over reis en zaken, maar alleen nog over Reize’s zuster, haar man en kinderen en over de gemeenten Metz en Amsterdam.
En toen voor het slapen gaan Reize nog even in de kamer van Genendel kwam om haar toe te stoppen als een klein meisje, zag zij de taai-taaivrijer op het kleine balpoottafeitje liggen.
„Ik zal hem morgen aan de werkmeid geven, tante Reize,” zei Genendel kleintjes.
Reize antwoordde niet, stond met haar rug naar Genendel, die in bed lag. Zij staarde naar de pop en na lange tijd zei ze:
„Men kan die pop bewaren. Men behoeft niet alles direct op te eten, men kan bewaren.”
„Bewaren? Dan bederft hij,” antwoordde Genendel.
„Waarom zal een vrijer bederven, als hij een paar maanden goed bewaard wordt? Je bewaart die pop... maandenlang blijft taai-taai goed
111