En toen Reize en de dokter reeds aan tafel hadden plaats genomen, stapte Genendel de woonkamer binnen. Reize zag, dat zij zich had omgekleed en zich nog zorgvuldiger dan anders had verzorgd. Reize’s hart popelde van vreugde om dit mooie mensenkind Genendel, haar koningin van Israël.
Isaï Krumbach rees op. Langzaam liep hij op Genendel toe, maakte een korte buiging en stelde zich voor:
„Isaï Krumbach uit Metz.”
„Genendel Kossmann... uit Hamburg.”
Isaï glimlachte. Zijn ogen tastten haar gezichtje af, zagen vooral haar koperkleurig haar, dat weelderig puilde uit de wat ouderwetse vleugelmuts. En haar mond. Hij keek er enkele seconden mijmerend naar en toen hij zijn blik weer opsloeg, zag hij een vreemde glans in haar donkere ogen. Want in die enkele seconden wist Genendel, dat zij hem overwonnen had.
En zij zag Isaï. Zijn haar was ravezwart, kort geknipt volgens Zweedse mode, zijn baard zeer kort en langs de wangen scherp geschoren, de bovenlip glad, zodat het bleke wat magere gezicht omlijst leek door een oorlogshelm, waarvan het vizier was opgeslagen. Zijn neus was smal en licht gebogen, de wenkbrauwen zwaar en zwart, de lippen dun maar welgevormd. En wat steeds weer de blik van Genendel bond waren zijn ogen. Grijze, vriendelijke ogen.
Toen reikte hij haar de hand en leidde haar naar haar plaats. Hoofs, volmaakt.
Chajim Todelche zei de zegenspreuken voor de maaltijd en daarna kon niets Reize verhinderen om de grote mok van haar gast tot de rand vol te scheppen met de krachtige vleessoep. Verwonderd keek de dokter even naar zijn vrouw, maar zij kneep veelbetekenend de ogen toe en hij begreep, dat Reize de reeds grotendeels bereide maaltijd voor morgen nü liet opdienen.
En Chajim Todelche glimlachte en dacht aan de grapjes van Onze Lieve Heer... tweemaal op één dag een uitgebreide warme maaltijd voor een dokter, die van vroeg tot laat de matigheid predikte.
Isaï Krumbach vertelde. Dat hij brieven had van Moïshe d’Ancona uit Livorno, van Avrohom Mocatta uit Genua, van Emanuël Veit uit Milaan, van Meïr Loeb uit Bazel en van zijn patroon Jokel Hirsch uit Metz. En Genendel zag in gedachten deze ketting van joodse kooplieden, reikend van Livorno tot Amsterdam, zag de ijlkoerier van Moïshe d’Ancona rijden van Livorno naar Genua, de reisfactor van
109