van Genendel... Genendel, de koningin van Israël!... Wat een geheim, met niemand zou ze er over praten, ze zouden haar voor mesjogge verklaren.
En bij huis gekomen zagen zij de vensters boven de gesloten luiken verlicht. Aan de deur stond de huismeid opgewonden te wenken om voort te maken. Ongerust spoedde de dokter zich vooruit, Reize, ia haar altijd aanwezige angst pakte de arm van Genendel en jammerde:
„Wat zal er nou weer zijn?... Is er dan nooit sholaum in mijn leven?”
En in het voorhuis wachtte een rijzige jongeman. Hij droeg reiskleding, twee lederen tassen en een hoes met een viool stonden bij zijn voeten. Onderzoekend keek Chajim Todelche hem aan, terwijl hij het gelaat van de bezoeker extra belichtte met een kaars, die hij uit de koperen wandluchter had genomen. De jongeman glimlachte, vroeg: „Dokter Chajim Todelche?”
„Ja... die staat voor u.”
„Ik ben Isaï Krumbach, de reisfactor van Jokel Hirsch uit Metz. Ik breng brieven voor joffer Genendel Kossmann.”
Nog voordat Chajim Todelche kon antwoorden, was Reize bij de jongeman. Zij huilde van vreugde, omdat er goddank niets gebeurd was, omdat deze knappe jongeman een jehoede was en omdat hij uit Metz kwam, waar haar zuster woonde. Reize trok hem in de grote woonkamer, waar een vuur in de schouw vlamde en alle kaarsen brandden. En in een ommezien maakte Reize van haar huis een drukke en woelige herberg. Er moest een warme maaltijd worden opgediend, de logeerkamer van linnengoed voorzien, een vuur moest daar worden aangelegd en kommen water gewarmd, want deze gast moest zich kunnen verfrissen en eten en zou onthaald worden alsof een eigen zoon na jaren was thuisgekomen.
Chajim Todelche nodigde hem uit plaats te nemen bij het vuur totdat hij naar zijn kamer kon gaan. Isaï Krumbach vroeg of joffer Genendel Kossmann thuis was. Natuurlijk, natuurlijk was zij thuis en wat verbaasd keek de dokter achter zich omdat hij verwacht had dat zij nu daar zou staan. Maar Genendel was in de schaduw van het voorportaal gebleven en had in enkele seconden deze jonge Isaï Krumbach opgenomen. Eén blik, en het was voldoende om haar hart te doen bonzen, om diep te blozen en om te wachten tot oom en tante met de gast de woonkamer waren binnengestapt; en dan stil naar haar kamer te gaan en daar één onderzoekende blik in het Venetiaanse spiegeltje te werpen.
108