ren. Hij heeft geen waarde meer en ook de Engelse dienst zal hem nu zeker hebben afgeschreven. Vanavond zal ik een van mijn mensen naar Duinkerken laten vertrekken. Ik vermoed, dat Frankrijk daar aan de Engelsen inlichtingen geeft.”
De Schout bracht hem naar de straatdeur.
„Met één zaak moet ik u nog lastig vallen, Reinier Vinck. De secretaris van de Admiraliteit is zeer bezorgd om voldoende bemanningen voor de nieuwe vloot. Er moet deze winter worden geronseld. Wie is betrouwbaar... wie verstaat dit werk?”
„Ysbrandt de Graef.”
„Ysbrandt de Graef... die ouwe jammerende zieke bootsman?”
„Hij... en hij is genezen. En wordt nog gezonder als hij wat te doen heeft. Ruw werk, met zuipen en duivelse listen. Hij en geen ander.” „Ik zal het Siebe Montanus voorstellen.”
Opeens moest de Schout lachen. Verwonderd keek de koopman hem aan en de Schout zei:
„Later... later, Reinier Vinck, als Siebe Montanus en die ouwe zeerover elkander gevonden hebben, dan zal ik het u vertellen.”
Toen drukten zij elkander de hand. Twee bejaarde ervaren mannen, twee betrouwbare menselijke burgers, twee stoere Hollanders...
104