De herfst van 1652 verstreek. Een nieuw jaar doemde op. Een jaar vol zorgen. De tijden werden slechter en slechter, armoe was na jaren voorspoed het Gemenebest binnengerukt.
Er werd hard gewerkt aan de nieuwe vloot, die niet eerder dan in het voorjaar zou kunnen uitlopen. Niemand had dit meegedeeld, maar het volk, welks leven eeuwenlang door wind en water was gericht, wist door intuïtie dat het niet anders kon. Dat Holland verslagen was en één winter lang verbeten moest bouwen en optuigen om straks in de lente zee te kiezen. En te vechten op leven en dood met een volk, dat hetzelfde dacht en deed.
Daarom ook was men zuinig. Iedere oorlog moet worden betaald tot de laatste duit, geen burger die zich andere illusies maakte. Toch was de Sint-Nicolaasmarkt op de Dam zeer druk, want traditie vergezelde hen van de wieg tot het graf. Tot laat in de avond slenterden duizenden langs de kramen, die verlicht werden door toortsen, oliepitten en lantarens. Er was van allerlei te koop: kleding, hoeden, zijden doeken, kousen en laarzen, sieraden, speelgoed, koper- en tinwerk, wapens, gevogelte, hazen en konijnen en fruit. Er waren koek-en-zoopies, poffertjesbakkers, wafelkramen, pepernotenleurders en taai-taaikramers; kwakzalvers en brillenverkopers prezen hun waren aan en men kon een slechte kies laten trekken om van een prettige Sinterklaas verzekerd te zijn.
Bij zo’n taai-taaikraam keek dokter Chajim Todelche toe hoe de koopvrouw handen te kort kwam om de ellenlange vrijers en vrijsters aan de kopers uit te delen en de stuivers te beuren. Hij was in gezelschap van Reize en Genendel. Met grote belangstelling beschouwde Genen-
105