die parlevinkers af. Toen heeft Pieter Ravesteyn zich uitgekleed en is naar de boot gezwommen. Terwijl de Waterschout met z’n dienaren de boot weer trachtte te enteren, is Ravesteyn aan boord geklommen. Steven Lamshouck vocht voor zijn leven, beiden vielen in ’t water. Maar Ravesteyn gaf hem geen kans en wist hem aan land te brengen. De Waterschout heeft de parlevinkers overmeesterd.”
„Wisten die van de zaak af?” vroeg Reinier Vinck.
„Nee, ik ben overtuigd van hun onschuld. Ze hebben alleen hun boot verhuurd. Bovendien beroepen zij zich erop, dat zij de aanhouding niet vertrouwden en dachten met rivierschuimers te doen te hebben.” Reinier Vinck glimlachte en zei:
„Weer een mooie zaak voor de President-Schepen. Redelijk... een zeer redelijk verweer, zal hij zeggen... en hen vrijlaten.”
„Die kwestie is nu onbelangrijk, koopman. Wij hebben de eerste schakel van een ketting in handen... Steven Lamshouck. Mijn dank en mijn compliment.”
„Onverdiend, mijnheer de Schout, onverdiend, ’t Was puur geluk en een domheid van die koerier. Een dronken hitsige koerier... dat kon nooit goed gaan.”
De Schout glimlachte nu ook, stak zijn handen uit naar het koesterende vuur, want hij voelde zich steeds minder prettig worden. Peinzend zei hij:
„We beginnen nu een Franse spionagedienst op te ruimen, met John Cambell zijn we even ver. En Siebe Montanus bezweert mij iedere morgen, dat er geen berichten mogen doorsijpelen. En iedere middag zeurt hij om berichten uit Engeland... wat ze daar bekokstoven.”
„De secretaris denkt zeker, dat de wind chronologische verslagen van Engelands doen en laten overwaait,” zei Reinier schamper. „Laat hij z’n eigen dienst verbeteren... we doen toch wat we kunnen?”
„Hij heeft me uitgelegd, dat een geheime dienst, die werken moet voor vijf Admiraliteiten én de Raadpensionaris én de Heren Hoogmogen-den voor de vijand een open boek is. Waardeloos en levensgevaarlijk voor de Unie! Daarom vertrouwt hij nu op ons, op Amsterdam. En Amsterdam vertrouwt op u, Reinier Vinck,” zei de Schout ernstig.
„U legt een zware verantwoording op de schouders van een oud man, mijnheer de Schout.”
Zij tuurden lange tijd in het vuur. Zwijgend. Toen stond de koopman op en zei:
„Laat John Cambell los, mijnheer de Schout, er is geen bewijs te leve-
103