Philippe. Een man van jouw hartstocht en een ouder wordende vrouw, 2oals ik?”
„Anna... je vergist je. Ook voor een man komt de tijd, dat hij voor anker wil gaan. Vergeef me de ruwe beeldspraak, maar jij begrijpt me als vrouw van een zeevarend volk. Anna... ik hou van je.”
„Ik weet het, Philippe. Maar ik zal ’t niet kunnen verdragen als je me bedriegt. We zouden een helleleven leiden. Laten we vrienden blijven, zelfs meer dan vrienden als je dat wilt..., maar géén huwelijk, géén huwelijk.”
„Je hoeft me niet dadelijk te antwoorden, Anna. Denk er over.” „Philippe...,” fluisterde zij en liet zijn hand los, „er zullen geen kinderen meer kunnen komen... ik ben onvruchtbaar.”
Hij antwoordde niet, liep nog een paar passen naast haar voort. Toen pakte hij haar en trok haar in een donkere brandgang. Kuste haar op voorhoofd en ogen en mond. En zij kuste hem terug met al de losgebroken hartstocht van een veertigjarige vrouw, die zichzelf wilde bedriegen en wist, dat deze man weer van haar zou wegdwalen naar een ander. Want zo was z’n aard. Lang, heel lang stonden zij daar. Hij eerbiedigde haar lichaam, maakte geen enkel onvertogen gebaar. En zij hing in z’n armen, woelde met haar slanke vingers in z’n haren, beet hem en hijgde van begeerte.
Het IJ. Zij wandelden er langs, zij wilden nog niet naar huis omdat zij voelden, dat daar hun genegenheid zou worden uiteengerukt. Dat daar de bezinning fel zou doorbreken en hen terugvoeren naar alledag... zij een waardin, hij een koopman uit eerste kringen. En dan horen zij opeens gespartel in ’t water. Gesmoorde vloeken. De ban is gebroken, hun handen laten elkander los. Met enkele stappen is Philippe de Haen bij ’t water. Hij ziet een mannenhoofd schemeren bij de palen van de walbeschoeiing. Hij werpt zich op de buik, strekt zijn handen uit. De man spuwt water uit, vloekt.
„Pak aan,” roept hij hijgend en stoot een lichaam uit het water op. Philippe de Haen grijpt twee armen, roept op zijn beurt: „Anna... help... help!”
Ook Anna ligt op de buik, langzaam trekken zij het lichaam omhoog, staan moeizaam op en sjorren het op de waL Een dikke man, gekleed in hemd en broek, de kousen nog aan. Hij kreunt en braakt en mist de kracht om zich op te richten, want hij is gewond. En Philippe de Haen herkent hem... zijn vijand Steven Lamshouck. Weer knielt
100