Zij liepen langzaam mee in de stroom langs de Keizersgracht in de richting van het IJ. Ze hadden het niet afgesproken, maar iets dreef hen naar het water... het bloed van Amsterdam.
Hij greep zacht haar rechterhand, ze keek niet op, maar haakte haar pink rond de zijne en zij liepen als twee jonge verliefden.
„Ben je... tevree, Anna?”
„Ja,” fluisterde zij.
Zwijgend stapten zij weer voort. Na een poosje zei zij beheerst: „Wat is een mens toch weinig baas over zijn leven, nu weet ik wat ik had willen worden. En God maakte een werkmeid van mij... daarna een waardin... geen toneelspeelster.”
„Dat is bijna ons aller lot, Anna. Naast je loopt een zijdekoopman en in zijn hart woont een soldaat. De Heer is mild voor me... Hij laat me toch nog een beetje soldaatje spelen als kapitein van de schutters.”
Philippe de Haen lachte gesmoord, er was iets vreemds in, daarom keek Anna hem aan. Maar zijn trekken waren onduidelijk in de schemering van het maanlicht achter de wolken.
„Waarom ben je niet in een leger gegaan, Philippe. Jouw familie is rijk en kan haar broodwinning kiezen.”
„Wij waren rijk, Anna... toen in La Rochelle. Met de ondergang van de stad ging ons vermogen verloren. Van de resten kan Moeder goed leven, maar het is onvoldoende om een zoon een duur officiersbestaan te veroorloven. En een arm officier terend op onregelmatige soldij wil ik niet zijn. Daarom zijdekoopman... ’t suggereert iets van weelde en het is Frans.”
„Hoe oud was je toen... in La Rochelle, Philippe?”
„Twintig, Anna.”
„Dus nu ben je... tweeënveertig?”
„Ja”„Ik ben veertig... Hemel, veertig. Andere vrouwen zijn nu grootmoeder.”
Er was enige minuten stilte. Toen vroeg hij zacht:
„Anna?”
„Nee, Philippe... nee. Ik ben een werkmeid... wat mijn ouders waren, vertel ik je misschien nog eens. Zo is ’t goed.”
„Anna, waarom niet?”
„Hoeveel vrouwen hebben er al naast je gewandeld, zoals ik nu, Philippe? Je kunt ze bijna niet meer tellen. Ik weet, dat je goed voor me zult zijn... dat je me hevig en vurig zult bezitten. Maar niet lang,
99