‘Ja, hij leeft, dank de Heer,’ antwoordt de boer en met de koppigheid van zijn stand vraagt hij weer:
‘Als gij er niet waart, waarom kwam dan geen van jouw mensen?’ ‘Er waren alleen radeloze vrouwen, waar is mijn jongen?’ Zwijgend gaat hij voor naar de opkamer, waar in een groot hoerenbed onder dekens en dekbed, Eli ligt. Zijn ogen zijn gesloten, het gezicht is heel bleek, doodskleurig; en hij beweegt niet. Bij het bed zit de boerin en aan het voeteneinde staat de huismeid.
Als Isaac het bed nadert, staat de boerin op om plaats te maken voor de vader. Zwijgend, steeds starend naar zijn zoon, zet Isaac zich langzaam op de vrijgekomen stoel, nauwelijks durvend te ademen, terwijl de tranen hem in de ogen springen.
Deze stille tranen roeren de boerin diep, want met schorre stem en zenuwachtig friemelende handen zegt ze stuurs:
‘Hij zal het halen, heer, heeft de dokter gezeed, hij heeft veel water binnen gekregen en dat is hem slecht bekomen.’
Isaac knikt zonder haar aan te zien en blijft staren naar zijn zoon. De boerin vervolgt:
‘Hij is voortdurend van zichzelf, maar da geet over, heeft de dokter gezeed. Hoe oud is hem, heer?’
‘Zeven,’ antwoordt Isaac dof. Hij voelt onder de dekens en grijpt de steenkoude hand van zijn zoon. En dan is de gehele werkelijke wereld om Isaac de Fuentes verdwenen. Hij ziet de drie bezorgde boerengestalten niet meer, die tevergeefs nog iecs vragen en dan schuw de kamer verlaten. Hij ziet de prachtige Oud-Hollandse meubels in de opkamer niet, die van de welstand getuigen van deze boer. Hij voelt alleen de ijskoude hand van Eli en ziet zijn bleke, bewusteloze gezicht. En zijn leven, dat voorbij is gegaan, keert tot hem terug en toont zijn beelden. Zijn herinneringen dwarrelen dooreen; de tijd van het Consulaat, Rusland, de zwerftochten door de wereld, Ester, Jannetje, weer Ester en Jannetje; de geboorte van Eli. Hij beleeft het weer; de in barensweeën kermende Ester, die hem niet bij de geboorte aanwezig wil zien. Hij wachtte in de huiskamer, op en neer lopend als een dier in zijn kooi, zonder gedachten. Dan plotseling stilstaand met intense aandacht voor een beeldje, een meubel, een schilderij; dan weer ijsberend, gespannen luisterend naar de geluiden in de kraamkamer, biddend. Hij, Isaac, de gedroste rabbijnenzoon, biddend tot het Opperwezen. Dat Hij Ester zal
97