bij staan, dat Hij haar zal helpen, niet om hem, maar om Esters wille. Hij beloofde aan het Opperwezen sommen geld. Geld beloofde hij voor de armen, voor de blinden, voor de behoeftige kraamvrouwen. Toen riep Ester om hem en hij ging. En zij wilde alleen even zijn hand vasthouden, de warme harde mannenhand. Die hand wilde Ester kussen en tegen haar wang vlijen, nu zij nieuw leven aan deze aarde gaat geven.
En zij keek naar hem op met angstige, zachte, grijze ogen. Hulpeloos, hulpzoekend als een hond, die sterven gaat. Dan moet hij de kamer weer verlaten, want zij wil niet, dat hij haar scheurend lichaam ziet. En haar bloed. Iedereen zou zij aan haar bed dulden, niet hem, Isaac de Fuentes, want zij schaamt zich voor hem.
Met het hoofd in de handen heeft hij verder gewacht op de verlossing, niet denkend aan Ester, niet aan het kind, niet aan zijn zaken, maar aan Rusland dacht hij. Aan stervende mensen, brandende hofsteden, aan de dood in velerlei vorm, maar niet aan Ester, omdat hij geen voorstelling had van het lijden en het gevaar waarin zij verkeerde. En nog zat hij er met vele gedachten, toen de baker hem breedlachend, alsof zij het kind zelf had gebaard, kwam roepen. Hij zag Ester weer met een klein, ingevallen gezichtje; hem opgelucht, tevreden toeknikkend en dan de ogen sluitend.
En dat lelijke gerimpelde mensje in het wiegje was zijn zoon, die hij Eli noemde. Naar zijn vader, die hem had afgezworen en in treur over hem had gezeten.
Nu ligt Eli hier bijna verdronken. De jongen, waarvan hij hield, maar die hij nog niet hartstochtelijk hef heeft gehad, omdat zijn gevoelens te veel verdeeld zijn over ambities, liefhebberijen, het eigen ik, de herinneringen aan een egocentrische vrijgezellentijd.
En nu breekt ze pas door, de liefde voor zijn zoon. Nu eerst als de Schepper en Bestuurder der wereld hem met harde hand wakker schudt in de avondschemer van zijn leven. Isaac bidt in het Hebreeuws gebed na gebed, zonder samenhang met wat er gebeurd is. Hij bidt in de taal van een oeroud volk, dat zijn Enige en Eeuwige God altijd trouw bleef ondanks zijn afdwalingen en loslaten der wetten. Isaac voelt een milde rust over zich komen en de hand van zijn zoon wordt warm van wederkerend leven.
98