Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



Jannetjes verwijt schiet hem te binnen; kwaadaardig wil hij het van zich schudden, maar het komt steeds terug en hoe langer hoe meer moet hij Jannetje gelijk geven. Hij heeft geen tijd aan zijn jongen besteed. Alles heeft hij voor hem over gehad. Alles wat maar voor geld te koop is, een vaste toekomst, een mooi huis, speelgoe. , boeken, zorgzame vrouwen, alles voor zijn opvoeding; maar haast geen tijd van zijn eigen tijd heeft hij aan hem gegeven. En hij heeft zoveel tijd, Isaac de Fuentes, ondanks zijn vele beslommerende niemendalletjes en hij beseft dat nu, als de dood aan zijn deur wil kloppen. Hij snelt voort over de dijk, ergens moet een woning zijn en daar moet men hem bericht kunnen geven. Dat moet, dat moet, dreunt hef door zijn hoofd. Hij zal ze schudden en slaan, alles zal hij kort en klein beuken, maar bericht moet hij hebben, het moet, het moet. Hij is door drift bezeten.

Eindelijk is daar een huisje aan de dijk. Bonzend dreunen zijn vuisten op de deur, die door een verschrikte dagloner wordt geopend. Een angstige vrouw is op dc achtergrond zichtbaar. Isaac is hoogst nerveus en dat heeft invloed op zijn taal. Terwijl hij anders vloeiend Nederlands spreekt, zijn her nu enige hakkelende woorden, meest Franse, waarmede hij de goede man ondervraagt.

Hii behoeft niet veel te zeggen. Deze mensen weten direct, dat dit de vader is van het bewusteloze jongetje, dat hedenmiddag door enige boeren langs de dijk is gedragen. Zij praten ook niet lang. Zwijgend brengt de vrouw een Stallantaarn, pet en jas van haar man en snel schiet de boerenknecht in zgn klompen. ‘Kom mee, mijnheer,’ is ailes wat hij zegt en brengt Isaac naar een boer, die kortbij in de polder woont.

Op zijn klompen komt een forse man te voorschijn. De knecht meldt eenvoudig:

‘Dat is hem, baas, de vader van de jongeheer,’ en verdwijnt dan snel met zijn lantaarn in de vallende nacht.

De boer is van middelbare leeftijd, doch reeds zijn de haren vergrijsd, het gezicht gerimoeld. Z.iin ogen staan ernstig onder de borstelige wenkbrauwen en er is diep verwijt in zijn stem, wanneer hij zegt:

‘Gij zijt niet te vroeg, heer.’

‘Ik was afwezig en heb het juist gehoord,’ bitst lsaiic en vervolgt dan zacht: ‘Leeft mijn jongen?’

96

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.