Dan vraagt Anatole: ‘Wat staat hoger, rabbi, leven voor de geest of voor het stoffelijke?’
‘Al het leven, dat is alle geest en alle stof, komen van God. Er is geen verschil in waardering, indien men Zijn Werken dient,’ is rabbi Mordechai’s antwoord.
‘Alle leven, alle geest en alle stof komen van God,’ herhaalt Anatole langzaam voor zichzelf. Dan vraagt hij plotseling:
‘Is kwaad leven?’
‘Ja,’ en de rabbijn ldjkt Anatole doordringend en wetend aan. ‘Is kwaad dus van God,’ vraagt Anatole ironisch.
‘Ja,’ antwoordt de rabbi.
‘Waarom rabbi?’
‘Kwaad is de toetssteen van het goede,’ verklaart rabbi Mor-dechai, ‘hoe wil de mens zijn vooruitgang zien, als hij niet vergelijken kan. God schiep daarom het kwade.’
‘Waarom koos de Schepper deze omweg, waarom schiep hij de mens goed en kwaad, in stede van in enen volmaakt?’ vraagt Anatole verder.
Roerloos zit rabbi Mordechai ben Josua achter zijn tafel te midden van zijn stille leerlingen. Hij sluit de ogen en wuift langzaam met zijn rechterhand, alsof hij iets onaangenaams uit zijn nabijheid wil verjagen. Hij antwoordt:
‘Dit was de vraag van duizenden die gestorven zijn. Het zal de vraag zijn van duizenden die komen gaan. Het antwoord kan alléén van God komen. Wanneer en door wie zal het Hem behagen te spreken? Gaat heen en bid voor Uw innerlijke rust.’ ‘Nog één vraag, rabbi,’ zegt Anatole, die thans zeer ernstig is geworden, biet geeft zijn intelligente, knappe gezicht een bijzondere bekoring.
‘Zal het Opperwezen mij straffen voor deze vragen en voor mijn ironie?’
De rabbi opent de ogen en kijkt Anatole haast vrolijk aan.
‘Nee, heer, God straft nooit! Hij waakt alleen angstvallig voor het evenwicht in al Zijn scheppingen, opdat niets de eeuwige baan verstoort.’
Dan staat de rabbi op. Stil en waardig knikt hij de beide mannen toe en verlaat de kamer door de zijdeur. Nadat hij vertrokken is, komt de Pool, die hen ontvangen heeft, met een open schaal op Anatole en Isaac toe. Zwijgend leggen beiden er wat zilvergeld op en verlaten de barak.
93