voorzichtig cn onderdanig. Zal men dan medewerking kunnen verwachten van al die millioenen, die zo’n heel klein beetje bezitten, en tot een betere verdeling komen? Beiden voelen, dat het alleen zal kunnen beginnen bij hen, die niets hebben.
‘Eet dan vanavond eens iets bijzonders,’ zegt Anatole en reikt de oude man een ruime fooi, die deze eerst met zijn vereelte handen aanpakt, nadat hij schuchter heeft gekeken of geen kellner of gérant hem bespiedt. Dan legt hij opgelucht en met weids gebaar een courant op Anatoles tafel en schuifelt verder, zo goed mogelijk gewoon doende, maar met een popelend hart om deze dwaze, rijke oude heer.
De goede stemming is een beetje verloren, zodat Isaac en Anatole besluiten het restaurant te verlaten.
Wanneer zij op straat staan in de tamelijk kiile Meidag, beseffen beiden, dat de middag gebroken is. Het is te vroeg om naar huis te gaan, te laat voor zaken of bezoeken.
‘Isaac,’ zegt Anatole plotseling, ‘die wonderrabbi van jou, dat is je ware voor vanmiddag. Hij ziet direct aan ons, dat wij zelfvoldane burgers zijn waarboven hij verheven is en dat geeft hem voldoening, en wij met onze volle magen kunnen tegen een stootje. Zijn geringschatting doet ons niets door onze culinaire pantsering.’
‘Dan gaan wij erheen,’ lacht Isaac. Het is vreemd; deze waardige, ernstige heer de Fuentes krijgt iets jongensachtigs onder de invloed van Anatole en zal soms dingen doen, die anders nooit bij hem opkomen of die hij als onhoffelijk verwerpt.
Beiden zijn deze middag te lui om te lopen en een rijtuig moet hen dan ook ter plaatse brengen.
Voor de verblijfplaats van de rabbi bezint Isaac zich. Zijn gezond verstand heeft wederom de overhand; daarom zegt hij tegen Anatole:
‘Zijn wij nu wel in de juiste stemming voor een God- en Schriftgeleerde; zullen wij ons niet een beetje slungelachtig voelen om zonder doel en voorbereiding binnen te vallen?’
‘Isaac, ga je deserteren?’ vraagt Anatole, ‘die stemming komt gauw genoeg, een doel heb ik ook en voorbereiding hebben wij Fransen niet nodig.’
Dan klopt hij Isaac bemoedigend op de schouders en treedt binnen bij de wondei rabbi van Lublin.
Het is schemerdonker in de kamer waar niemand aanwezig is.
91