om landverhuizers over Rotterdam te leiden buitengewoon geslaagd, want het breekt de dagelijkse sleur. Raad eens, wat ik onder je transito heb gevonden? Een grootvorst, een generaal, een balletdanseres, dozijnen Polen, een Kozak en het mooiste, Isaac, een rabbi met een nieuwe nuance in een oude godsdienst.’ Isaac kijkt Anatole van terzijde aan en vraagt:
‘Ben jij bij die wonderrabbi uit Lublin geweest?’
‘Wonderrabbi? Welnee!’ lacht Anatole, ‘daar ziet hij helemaal niet naar uit.’
‘Dan moet het laatste transport wel veel bijzonders bevatten,’ zegt Isaac nadenkend, ‘want ik ben daar wèl geweest.’
Ze zijn nu bij het restaurant gekomen; het afgeven van hun garderobe en de gezellige drukte om een plaats te vinden onderbreekt hun gesprek. En nadat zij met veel zorg hun maaltijd hebben samengesteld en het apéritif is gebracht, hervatten zij het gesprek.
‘Zo, Isaac, dus jij hebt een wonderrabbi gevonden,’ begint Anatole, met beide ellebogen op de tafel leunend en de handen genoeglijk wrijvend. Hij kijkt daarbij onderzoekend de zaal rond op zoek naar bekenden of gebeurtenissen.
‘Ja, Daumer, en een rare ook,’ antwoordt Isaac en hij vertelt Anatole zijn wedervaren met Bennie Alter en Mordechai ben Josua.
Inmiddels wordt een heerlijke kippensoep opgediend, die beiden zwijgend genieten, doch direct daarna v agt Isaac aan Anatole naar zijn belevenis.
‘Kijk, Isaac, mijn rabbi is een kolos van een kerel in Russische hoerendracht, die de hele dag pijpen rookt en God en de hele wereld becritiseert. Hij propageert een leer, die begint in de hof van Eden met een ploegende, maaiende Adam. De mens moet volgens hem niet te veel boekjes lezen en vooral niet te veel óüde boekjes en in het gehéél geen oude geschiedenis leren. Hij moet zorgen, dat hij zo goed mogelijk leeft, zeer goed eet en drinkt en woont en veel kleren heeft en bovendien moet hij dan nog een hoop mooie dingen om zich heen hebben. En vooral niet zeuren en steunen, zegt hij, goed leven en genieten van het aardse; daarmee dien je God, die het de mensen met handenvol heeft toegeworpen en nu vernacht dat die mensen alleen maar zoveel verstand hebben, dat zij het oprapen en netjes verdelen.’ 'Dat is het moeilijke: verdelen,’ zegt Isaac peinzend, ‘dat zullen
89