‘Niet spotte, meester,’ antwoordde de doodgraver, 'de dode benne niet dood.’
‘Daarom kom ik juist,’ zei Geert kortaf. Weer hief de doodgraver zijn lantaarn op, om argwanend Geerts gezicht te bespieden.
‘Ik ben geen gek,’ zei Geert weer.
‘Dat zeggen de gekken allemaal.’
Geert antwoordde niet direct. Hij tastte in zijn zak, haalde vijf gouden tientjes te voorschijn en drukte deze de doodgraver in de hand.
‘Doet dat een gek?’ vroeg Geert.
‘Dat doet d’r een die stapel is,’ glimlachte de doodgraver, ‘maar gek of niet, wat wil je?’
‘Luister. Voor enige maanden geleje. ..’
De doodgraver onderbrak hem:
‘Wach effe, ik gaan mee naar buite.’
Zij gingen naar de kleine kapel, die de oude man ontsloot. In het portaal stond de houten draagbaar als een vreemdpotig dier, luguber belicht door de lantaarn, waarmede de doodgraver zwaaide. Hij zette het licht op de baar en noodde Geert plaats te nemen. Toen beiden terweersziiden van de lamp zaten, keken zij elkaar eens aan, hun gezichten waren vreemd door de zware schaduwen van hun oogholten en hun snorren.
‘Nou,’ zei de doodgraver, ‘wat was d’r voor enige maanden?’ ‘Toen is mevrouw de Fuentes hier begrave.’
‘Die vrouw die verdronke is en zo’n grote stoet heb gehad?’ ‘Ja, die. Nou, ’t is zo, dat ze zich verdaan heb, maar de familie denkt dat ze verongelukt is.’
‘Zo, da’s niet zo mooi.’
‘Nee, da’s niet zo mooi. En nou heb ik het ongeluk gehad te wete te komme, waarom ze zich verdronk. En van die wetenschap mot ik af.’
De doodgraver kijkt hem scherp aan. Er is weer twijfel in zijn ogen.
‘Kijk nou niet of ie denk dat ik echt niet bij me positieve ben. Wat ik weet staat in een boekic. Hier in dit boekie en dat mot nou weg.’
‘Had je toch kenne verbrande?’
‘Nee, zoiets ken men niet verbrande. Dat voel ik nou as een zonde. Een herinnering verbrande. Nooit.’
316