Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



taris, een lange, elegante jongeman, die vijf dagen aaneen moest reizen om Susanne zijn groot gelakt couvert te brengen. Susanne ontvouwde een wissel tot een zeer hoog bedrag op een Amsterdams bankiershuis. En een brief waarin hij formeel zijn aanzoek voor een huwelijk herhaalde. Mocht zij het onverhoopt met aannemen, verzocht hij haar hem als vriend te willen blijven beschouwen en al het geld te willen aanwenden als deelneming in het huis Davidson. Even kwam de zakenman boven. Hij gelastte haar al de schulden, zowel de kortlopende, de ereschulden en die op lange termijn te delgen en indien zij het geld niet voldoende achtte, wilde zij dit wel aan zijn secretaris mededelen. Tot diep in de nacht zat Susanne haast bewegingloos in de kamer van haar overleden vader. Voor haar lag het roodlederen gebedenboek van Abisag. Zij staarde naar de gebedsdoek, de boeken en de negenarmige Chanoekaluchter. Heel haar leven, dat van haar ouders, broers en zusters gingen aan haar geest voorbij.

En toen zij terugdacht aan haar broer Jozef, aan de klacht van Abisag, aan de doodskreet van Treesje de Fuentes, was het of een ijzige kilte door de kamer trok. En zij voelde pijn in haar beide schouderbladen, zacht en koud.

En haar armen werden opgeheven.

En zij nam de ganzeveer en schreef. Een kort briefje, dat zij het als een eer beschouwde het huwelijksaanzoek te mogen aannemen. En toen zij ophield was de kilte verdwenen, rust en geborgenheid waren in de kamer. Toen sliep zij in, met het hoofd op haar vaders tafel. Zij droomde niet en de volgende morgen zag zij het schutblad met de klacht van Abisag. Het was gevlekt, het schrift gedeeltelijk vervloeid door de tranen, die zij in haar slaap vergoten had en door heur haren die het gewist hadden. Want het boekje was haar een hoofdkussen geweest.

Het werd de eerste daj er 'n Mei, voordat Geert van der Toorn zijn besluit genomen had. Hij ging, toen het reeds schemerde, naar de begraafplaats en belde de doodgraver uit zijn huis. Verwonderd keek de oude, tanige man zijn bezoeker aan, wiens gezicht hij met de opgeheven lantaarn belichtte.

‘Ik ben Geert van der Toorn, de reder.’

‘Ken ik niet,’ zei de oude man.

‘Des te beter, denk dan maar da’k een dooie ben.’

315

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.