geheime lade openspringen. Zij grijpt er een klein roodlederen boekje uit met Hebreeuwse letters in goud op de rug. Het laatste blad slaat zij erin op.
‘Luister nu naar mij, mijnheer Van der Toorn. Luister goed en vergeef mij bij voorbaat dat ik langzaam moet lezen, want ik moet andere karakters ontcijferen.’
En toen hoorde Geert haar zachte, beheerste stem, die de klacht en de vloek voorlas van Abisag, de vrouw van Jozef Davidson. Uit het jaar 1751.
Bedremmeld en stil keek hij naar Susanne, die hem met koele geringschatting monsterde.
‘Welnu, mijnheer. U heeft het volle pond genoten. Uw drift en Uw wraak zullen thans wel geluwd zijn. U kunt thans buiten Uw sigaar opsteken, het proces tegen moeder openen, de geschiedenis van Jozef Davidson en zijn reïncarnatie rondvertellen.’ Geert is weer gaan zitten. Op de rand van zijn stoel. Met het hoofd gebogen, de armen steunend op de dijen, de handen doelloos neerhangend. Susanne staat nog steeds rechtop, staart op het tafelblad, de vingertoppen achteloos erover strijkend. ‘Godsamme,’ mompelt Geert, ‘Godsamme, wat spijt me dat.’ ‘Wat?’
‘Nou, dat ik me daarnet vergat en dat boekie liet zien.’
‘Ik ben blij dat U zich tegenover mij hebt laten gaan en dat het moeder bespaard is gebleven.’
‘’t Zal d’r bespaard blijven, altijd,’ zegt Geert kleintjes.
‘Wat gaat U nu doen?’ vraagt Susanne, in spanning.
Geert haalt de schouders op.
‘Ik ben hier gekomme, terwijl ik d’r eigenlijk geen pest mee te maken had. Maar dat gaat zo in ’t leve. Nou mot ik maar zien, da’k d’r op een fatsoenlijke manier weer uitkom. Hoe? Daar mot ik nog es over slape.’
Er heerst nu enige minuten stilte. Susanne hervat het gesprek, nog steeds staande achter de schrijftafel.
‘U bent hier gekomen om geld te incasseren. Was dat boekje een middel?’
Van der Toorn staat op. Hij is bleek geworden, kijkt naar haar. Ziet haar staan als een felle kat. Tot het uiterste gespannen, zeker van haar overwinning.
‘Godsamme, juffer, Godsamme. Het is goed dat U een vrouw is, want anders lei je al in die hoek.’
313