Maar hij grabbelt weer in zijn zak naar geld. Voor hij uittelde zei hij met gebogen hoofd:
‘Hoe dikkels komme julLie nog voor de waarheid?’
‘Me benne patsers, baas, omdatte me de cente zo goed kenne gebruike. Maar me benne geen zuigers en afleggers. As U heb uitgeteld, benne me ’t voor altijd vergete.’
Zwijgend telde Geert de rijksdaalders uit, keek toen op in de harde gezichten van zijn roeiers. Maar hij zag dat zij arm en gegroefd waren. En niet slecht.
Het was elf uur in de morgen toen hij bij het kantoor van het huis Davidson aankwam en juffrouw Davidson te spreken vroeg. Salomon van Loen hielp hem omstandig bij het ontdoen van hoed en jas en bracht hem ongerust naar het privé-kantoor. De oude Salomon was de laatste tijd niet veel goeds meer gewend van resolute bezoekers. Susanne rijst op van de stoel achter haar moeders schrijfbureau. Geert begint direct met zijn aanval:
‘Ik ben Geert van der Toorn, de gemachtigde van de Heer Eli de Fuentes.’
‘Ik ben Susanne Davidson. Ik ben niet gemachtigd, mijn moeder mist daartoe de kracht. Nochtans treed ik op voor haar en haar firma.’
Met een kort gebaar nodigt Susanne hem uit plaats te nemen op een stoel tegenover haar.
‘Ik kom met geen prettige boodschap, juffer.’
‘Die komt hier niemand meer brengen. Hoeveel geld heeft U te vorderen?’
Enigszins verbaasd kijkt Geert haar aan.
‘U schijnt dit soort gesprekken meer te voeren.’
‘Heiaas, heel veel. Hoe groot is Uw vordering?’
‘Tja, ik vorder voor mijnheer de Fuentes het bedrag, dat zijn vader jaren terug voor Uw moeder, in Rijsel heeft betaald.’
‘Is dat bedrag toen geboekt?’
‘Het is geboekt, natuurlijk. Het geld was van de firma Piet van Sliedrecht en Cie Er werd een aantekening gemaakt ‘niet innen’. Maar ik wou nou es proberen het wel te innen, want de zaken van Eli de Fuentes hebbe zulke bedrage hard nodig.’
‘Mijnheer Isaac de Fuentes is dus altijd de gentleman gebleven die hij in onze ogen was. Niet innen, dat is een bevel, mijnheer Van der Toorn.’
310