Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



blijve. Waarom weer openscheure, voor wie, voor wat? Is de gedachtenis niet mooi? Niet oneindig veel mooier dan een tassie met inhoud? Waarom zal men staren op een voorwerp om aan iemand te denke? Even maar ziet men de verlore mens, dan steeds meer de stof van het ding. Nee, de herinnering, as men de ogen sluit en men ziet het gezicht van degeen, die je dierbaar was. Hoor toe, dat is goed, dat is van ’t Opperwezen. As ik m’n oge sluit en ik roep d’r voor me, dan zien ik d’r weer, dat gave gezichie van toen op me wage. Toen ze met me meeree naar Rotterdam. Altijd zal ik d’r zo kenne terug roepe voor me oge en dan heb ik en niemand geen behoefte an iets, dat je ken aan-rake om te herinneren. Nee, Van der Toorn, geef het tassie an niemand, as aan haar zelf. Het hoort bij d’r, in het graf.’ Nadenkend knikt de reder en antwoordt:

‘Maar hoe? ’t Graf is dicht.’

David kijkt hem aan, haast olijk. Hij grijpt naar de geldbuidel in zijn broekzak en wil die te voorschijn halen. Geert is eerst verbaasd, dan lacht hij wrang:

‘Inderdaad, koopman, het graf ken ope. Maar Hat die eer an mijn.’ Toen schudde hij David lang de hand, iets clafrhij in jaren niemand had gedaan en ging weg, met een diep gevoel van vriendschap. Geert ging die dag nog verder op de weg die hij zich had uitgestippeld. Hij riep aan dc Leuvehaven zijn twee roeiers aan de wal en zei:

‘Manne, dat tassie van gisteren, dat heb een dame verlore. Ze heb ’t overboord late valle, toen ze an ’t spelevare waren met een boeier. Wat doet zulk volk op ’t water. Wat jullie?’

‘Nou,’ gromden de roeiers.

‘Enne,’ loog Geert verder, ‘enne toen ik net bij de politie binne wou gaan, kwam een meheer naast me en die zee, dat tassie wat U daar in je hand heb, nou da’s van me vrouw. Ik wou het net gaan angeve. Toen zee ik, man, dat treft en dat spaart een hoop gedonder. Toen hebbe me same een borrel gepakt en ik zee dat jullie recht hadde op vindersloon. En hij heb royaal gegeve, vijftig gulde de man, omdat ’t een aandenke was.’

Omstandig haalde Geert de zilveren rijksdaalders te voorschijn en telde ze de mannen in de hand. Toen hij klaar was, zei Barend: ‘Da’s vijftig gulden voor dat vertelseltje, baas. Nou krijge we nog vijftig saampies voor de waarheid.’

‘Godsamme,’ zei Geert, ‘Godsamme.’

309

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.