weest sinds Fdi van zijn reis was teruggekeerd. Op een avond heeft zij mij verteld van Willem Honing. Onschuldig. Ik heb haar gezegd dat het niet mocht en gedacht dat het daarmee uit was. Wat ben ik dom geweest, Geert.’
‘Al was je zo wijs geweest als de profeten, dan nog had je geen invloed gehad. De liefde van jonge mensen kent geen barrières. Je hebt je niks te verwijten.’
‘Moet het nu werkelijk naar de politie, naar de openbaarheid, naar mensen die er niets mee te maken hebben en alleen opwinding zoeken?’ vraagt Jannetje zacht.
‘Het mot voor de wet, maar de wet ken overtreje worde,’ glimlacht Geert, ‘wat wil je dat er gebeurt, meissie?’
Jannetje denkt even na, zegt:
‘Geef alles aan Eli. Maar zonder de brief, Geert. Hoor je Geert, zonder de brief. Laat dat tussen ons zijn, voor altijd.’
De rcderzwijgt, staat op en ijsbeert door de kamer, antwoordt dan: ‘Jannetje lief, ook Eli mot dit niet meer zien. Laat ’t an mijn over, laat mijn nog es denke. Maar ik beloof, niet an de politie of de openbaarheid komp ’t. De brief krijgt Eli nooit te zien.’
Toen ging hij naar Jannetje toe, kuste haar heel zacht op het welige haar. En Jannetje verroerde zich niet.
De volgende morgen ging Van der Toorn naar David Viool in zijn winkel op de Dijk. Hij zegt:
‘Viool, de tas die je uit het water heb opgevist was van mevrouw de Fuentes. Wat wil je dat er mee gebeurt?’
Ontdaan kijkt David hem aan, stamelt:
‘Oi, oi.’
Geert wacht, herhaalt:
‘Wat wil je, Viool?’
‘Wat zal ik wille? Wat zal d’r motte gebeure, wat zal d’r motte gebeure? Geef ie het an de politie, staat heel de stad overend, geef ie het an meheer de Fuentes, begint z’n leed opnieuw.’ ‘Juist, Viool. Maar ’t benne herinneringsstukke van z’n vrouw.’ ‘Ach wat! Die heb ie genog. Kasten vol. Nee, reder, dat niet. Maar kenne we ’t verzwijge? Die twee bootslui ware getuige.’ ‘Die twee roeiers neem ik op mijn. Toe, wat mot er volgens jou?’ David Viool strijkt nerveus langs zijn wangen, terwijl hij met gesloten ogen tegen de toonbank geleund staat.
‘Alles is nou sholem, alles is nou rust,’ mompelt hij, ‘laat het zo
308