Snel is zij opgestaan, wast zich overvloedig met koud water. Zorgvuldig kiest zij haar japon voor die dag en eindelijk gaat zij statig en vol gratie naar beneden. Met toewijding stelt zij het ontbijt voor haar moeder samen, telkens weer peinzend naar het dienblad kijkend of zij niets vergeten heeft. Dan belt zij het tweede meisje. Zij gaat voor de trap op. Gevolgd door het meisje met het blad. In moeders kamer laat zij het op tafel zetten en dankt met een korte hoofdknik.
Nu wast zij haar moeders gezicht cn handen, schudt de kussens op en helpt haar recht zitten, opdat zij eten kan. Dankbaar kijkt Rebecca naar haar dochter, die nu voor het raam staat en naar buiten tuurt in de grauwe beginnende dag. Rebecca eet langzaam, vraagt tussen twee hapjes door:
‘Waaraan denk je, mijn kind?’
‘Aan niets, moeder.’
‘Dat kan niet, mijn dochter. Zoals wij er nu voorstaan, kun je niet aan niets denken.’
Susanne zwijgt even, plotseling komt het fel:
‘Ik denk aan mijn leven, moeder. Aan de jaren die ik verknoeid heb. Aan de woorden die ik gesproken heb op vergaderingen en bijeenkomsten. Aan de zinnen welke ik gezegd heb, voor anderen. Aan de moeiten die ik gedaan heb om anderen te helpen.’
‘En wat is het resultaat van al dat denken, Susanne lief.’
‘Dat ik anderen niet heb kunnen helpen, omdat zij niet geholpen willen zijn. Dat zij voortleven in hun egoïsme, in hun sleur, in hun voordeeltjes, in hun vuil.’
‘Is al je werken voor niets geweest, dochter?’
‘Ja, moeder.’
‘Neen, mijn kind. Je bent ongeduldig. Je wilt.het zien tijdens je leven. Maar dat zul je niet, want onze profeten mochten het ook niet tijdens hun leven zien. Later, later komt het, langzaam, eeuwen-langzaam. Totdat God de wereld weer verandert.’ Susanne zwijgt. Rebecca vervolgt:
‘Wat nu, meisjelief?’
‘Nu? Moeder, nu komt het afscheid van de gemeenschap. Nu komt de zorg voor de eigen kring. Want ik zie dat, wanneer een ieder in zijn naaste omgeving doet wat goed en practisch is, zijn optreden in groot verband onnodig wordt. Luister, moeder. Van nu af blijf ik bij U, want LT hebt mij meer nodig dan een onbekende in Frankrijk. Een vreemde, die mij aanstaart alsof ik een dwaas
298