zaak, waaruit zij leeft, te liquideren. Waarom haar moeder die avond in vaders kamer zo plotseling begon te gillen. Waarom zij gisteren een brief kreeg van de reder Geert van der Toorn waarin hij om een onderhoud verzocht. Susanne staat op, steekt de kaars op haar bedkastje aan. Ook de kaarsen in de luchters op de commode en die aan de wanden. De kamer is vol zacht kaarslicht. Zij gaat voor de spiegel staan en beziet zichzelve. Een forse donkere vrouw van even veertig jaren. Het zeer mooie gezicht is in de loop der jaren enigszins gevuld geworden. De amandelvormige ogen, haast zwart, zijn niet meer fel zoals in haar jeugd. De wenkbrauwen fraai getekend als bij een Eyptische, de wimpers lang en zwart, de neus smal en licht gebogen. Haar mond rood en hartvormig, de kin vrouwelijk en toch energiek, de huid gaaf en glanzend, wat bleek afstekend tegen het zware glanzend donkere haar dat tot haar middel reikt. Zij ziet haar figuur onder het strakke nachtjak en de dunne batisten rok. Felle stevige borsten, een smalle taille overgaand in brede heupen.
Zij fluistert:
‘Mijn God, veertig jaar. En niets van mijzelf. Geen man, geen kind.’
Plotseling slaat zij de handen voor de ogen, draait zich om. Zij gaat weer te bed, het laken trekt zij op tot de kin. Zij tuurt naar het kaarslicht aan de wand en zij ziet dat het schemert door de volle tranen die in haar ogen gekomen zijn. En in haar gedachten springt klaar het beeld naar voren van de zestigjarige Joodse bankier uit Marseille, die al meer dan tien jaar haar genegenheid zoekt. Zij is schuw voor zijn leeftijd en hij wacht nog steeds, zoals aristocraten wachten kunnen. Zo nu en dan bezoekt hij de vergaderingen waarop zij spreekt. Dan zit hij daar als een oude gepolijste rots in een schuimende branding. Zijn ervaren ogen bekijken koel het opgewonden gezelschap, onopgemerkt wist hij met zijn zijden doek het voorhoofd dat verhit is door de broeiende atpiosfeer. En na afloop laat hij zich meevoeren door de mensenstroom, die hem duwt en soms vijandig hoont. Maar hij gaat er kaarsrecht in zijn stemmige, verfijnde kleding, alleen oog hebbend voor haar die nu in haar rijtuig stapt. Met de bloemen die hij haar liet brengen. Susanne doezelt wreg, om met schrik wakker te worden, door de zachte klop op de deur en de stem van Johanna, die zegt:
‘Het is zeven uur. En ochtend, juffrouw Susanne.’
297