vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde, aan het vierde lid dergenen die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.’ Rebecca’s dodelijk angstige ogen staren naar Jacobs gebedsdoek. Hij heeft het dus geweten en heeft gezwegen. En ook zijn zoon niet vervloekt. En is gestorven. Met zware last.
Ineens gilt Rebecca, in ontzettende angst, met gespreide armen, over al het leed in haar leven, de ogen door tranen verblind: ‘Shaddaï.’
Dan staat Susanne naast haar en drukt haar moeders hoofd zacht tegen de borst en strijkt teder over de zilverwitte haren, het voorhoofd en de wrangen.
‘Stil maar, moedertje, stil maar,’ zegt zij telkens weer.
En moeizaam brachten zij en Johanna, Rebecca naar bed. Als een kind.
Iedere avond wacht Jannetje Batelaan met zware zorg de thuiskomst van Geert van der Toorn. Zoals hij heeft gezegd, zond hij daags na het onderhoud met Eli zijn boekhouders om de zaken van Piet van Sliedrecht & Cie van begin tot eind te controleren. Die dag was ook de eerste dat Treesje de Fuentes werd vermist en daardoor waren Eli’s inlichtingen kort en mat. Sinds Treesjes dood is Eli geheel overstuur, ’s Nachts gaat hij rusteloos door het grote huis, met een brandende kaars van kamer tot kamer. Het beangstigde personeel hoort hem snikken en steunen, soms vloeken en gillen van innerlijke opstand en het Opperwezen rekenschap vragend, waarom zijn moeder en zijn vrouw beiden weggenomen werden door het water. Overdag ligt hij op bed, half gekleed en ongeschoren, bij tijden soezend, nauwelijks het eten aanroerend dat de bezorgde keukenmeid telkens weer vers naast zijn bed plaatst. Iedere dag gaat de trouwe Geert naar hem toe om te trachten hem op te beuren, weer belangstelling voor zijn zaken te wekken. Maar Eli geeft nauwelijks antwoord en staart in de verte. Ook houdt Geert toezicht op Eli’s zaken. De eerste tijd was er felle oppositie van de klerken en commiezen en het scheelde niet veel of men had Van der Toorn van het kantoor gedrongen. Maar Geert liet die eerste dagen zijn walbazen veel en onnodig om instructies komen en steevast hadden zij een koevoet onder de arm, als zij met langzame, dreigende, banjerende gang door het klerkenkantoor naar hem toe-
293