Die avond besloot zij. Zij deelde Susanne mede, dat zij de firma zou liquideren, haar huis en inboedel doen veilen en met Susanne terug zou keren naar Parijs. Zij wilde weg uit deze sombere omgeving, weg van haar herinneringen; op nog enige jaren hopend in deze wereldse, levendige stad. Susanne knikte slechts; wat zij had willen zeggen, verslikte zij. Maar zij beloofde haar moeder alle steun.
Toen die nacht allen in het huis Davidson sliepen, stond Rebecca op. Met de linkerhand voor steun langs de muur tastend, in de rechter de blaker met kaars, gaat zij schuifelend naar jozefs kamer. Het is er koud en donker, want Johanna sluit iedere avond overal de gordijnen, ook in de niet gebruikte kamers. Rebecca plaatst de blaker op Jozefs schrijfbureau, klapt het deksel op. Even zit zij stil, alsof iets haar weerhoudt, maar dan opent zij lade na lade en snuffelt tussen papieren. Het is niet veel bijzonders wat zij vindt. Rekeningen, verzoeken om steun, briefjes van meisjes. Het ergste is het huurcontract voor zijn vrijgezellen-kamer; het papier trilt in haar handen, terwijl zij leest. Maar wat zij zoekt vindt zij met, een aanwijzing waarom Jozef zo plotseling is weggegaan en waarom hij zijn geld en erfdeel zo haastig heeft opgenomen. Verkiid staat zij op en schuifelt weg uit de naargeestige omgeving. Op dezelfde gang is de kleine werkkamer van haar man zaliger. Even staat zij voor de deur stil, dan gaat zij binnen; de naargeestigheid van Jozefs kamer is hier niet. Langs de wanden staan Jacobs boekenrekken, tot borsthoogte. Zij staan vol; de kleurige lederen banden met gouden letters glanzen zacht in het licht. Op de rekken staan nog steeds zijn kleine antiquiteiten, een negenarmige luchter, zijn blauwe tabakspot met koperen deksel. En zijn pijpenrek, Meissner poppetjes, klein zilver speelgoed. Een der rekken is wat lager en staat recht tegenover zijn schrijftafel. En hierop ligt in fluwelen geborduurde zak zijn gebedsdoek met zilveren kraag, te zamen met de gebedenboeken, die hij bij de laatste kerkgang gebruikt heeft. Stil zit Rebecca in zijn stoel en laat haar ogen dwralen door de kleine rustige kamer. Iedere week kwam zij hier om te zien of de kamer goed was gestoft en de meubelen geboenwast; het was een gewoonte gewTorden zonder aandacht voor de sfeer der omgeving. Nu let zij niet op stof of glans, de geest van deze kamer heeft haar gepakt. Hier zocht haar Jacob na zijn werk voor het gezin, rust
290