vermoeide geest. Weer keek zij naar hem en hij knikte haar beminnelijk toe. En opeens besefte zij, alsof het aan de wand geschreven stond, dat zij haar eigen leven leefde en Treesje, haar pleegkind van haar was weggedwaald en nimmer weer zou keren.
Drie dagen later, tegen het vallen van de avond, haalde een schuwe huisknecht Jannetje Batelaan af. Of zij direct wilde medegaan naar het Haringvliet. Want het lijk van mevrouw de Fuentes was zoeven opgehaald. Uit de Maas, ter hoogte van het middenvenster van Isaac de Fuentes’ kamer.
Jannetjes klare ogen achter de zwarte voile van de rouwhoep zochten. Haar blik dwaalde voortdurend over de menigte die gekomen was om de rijke mevrouw de Fuentes te begraven. En die menigte was groot. Zij zag vele bekende gezichten en door de volte kon zij zich niet realiseren, wie zij miste. Maar des avonds, toen zij de dag nogmaals aan zich voorbij liet gaan en de gestalten op de begraafplaats weer opdoemden, wist zij het heel zeker, dat geen mens van het huis Davidson er geweest was. En zij wist ook heel zeker, dat er geen man geweest was, die Willem Honing had kunnen zijn. Geen enkel begin had zij kunnen vinden om het raadsel van Treesjes dood te kunnen ontwarren. Want Jannetjes intuïtie bedroog haar niet. Zij wist dat het geen ongeluk geweest was, dat Treesje was overkomen en zoals Eli de Fuentes vast geloofde.
De andere dag schreef zij Rebecca Davidson. Een lange brief waarin zij het ongeluk mededeelde en haar leedwezen uitsprak dat niemand van de Davidsons aanwezig had kunnen zijn om de schoondochter van Isaac de Fuentes de laatste eer te bewijzen. En haar brief was zo gesteld dat Rebecca de hevige twijfel aan een ongeluk zo intens voelde, dat het bloed uit haar gezicht wegvloeide.
Er kwam geen antwoord van Rebecca maar acht dagen later was zij terug in Rotterdam, begeleid door haar dochter Susanne. Zij vond haar firma gedegen en rustig werkend onder leiding van de oude beproefde Salomon van Loen. Haar huis, schoon en verzorgd door de oude Johanna en haar meisjes.
Salomon van Loen vertelde mevrouw Davidson, dat mijnheer
288