Eli zit nu met het hoofd in de handen en staart op zijn schrijftafel. Naar de papieren welke voor hem liggen en die hij niet ziet. ‘Ik geloof dat ik er slecht voor sta. Kijk, mijnheer Van der Toorn, het is te groot. Ik kan het niet overzien en heb te veel vreemde ogen en handen nodig om te zien en te handelen. Wat is Uw bedoeling?’
‘Dat zei ik ommers. Ik zal je niks doen; omderwille van Jannetje Batelaan wil ik je zelfs helpen. Hoe? Dat weet ik nog niet, daarvoor mot eerst de hele tent ope.’
Geert wachtte enige ogenblikken, vroeg:
‘Nou, wat kies je? Neer? Of zal ik je schoren?’
‘Help me.’
Toen stond Geert van der Toorn zwijgend op van zijn stoel, nam hoed en jas en halsdoek, kleedde zich omstandig. Hij keek op de zittende Eli neer, die het hoofd gebogen hield, zei alleen n°g;
‘Morrege stuur ik m’n volk. Dan beginne ze je stalletje uit te meste. Kop op, meester, want ik sleep je d’r door.’
Zonder groet ging Van der Toorn heen en in het grote klerkenkantoor keek hij niet op of om. De bezetting was lucht voor hem.
De oude dokter de Blécourt keek ernstig met zijn ervaren blik in Treesjes gezicht. Zijn strenge, blauwe ogen fonkelden meedogenloos door de glazen van zijn bril, de mond trok ietwat nerveus onder zware, witte snorren. Hij stond op. Zijn lange, slanke, aristocratengestalte ijsbeerde wat door de karner. Dan staat hij voor Treesje de Fuentes, die stil en onbeweeglijk op haar handen staart, die in haar schoot liggen. Hij kucht, tikt met zijn potlood op tafel, zegt onvriendelijk:
‘Mevrouw, ik zou U moeten feliciteren. Helaas, ik kan het niet. God sta U bij.’
Treesje blijft nog even muisstil. Maar opeens is er de gierende huilbui, het van smart schuddend hoofd, dat steeds dieper zinkt. ‘Here, Here, is er dan geen uitweg?’
‘Neen, die is er niet. U zult het pad moeten gaan, mevrouw. Het kind zal komen en ik zal U tezijnertijd helpen, zo U er prijs op stelt. Verder dienen wij te hopen dat de natuur zeer genadig is en het kindje de ziekte van U en de vader bespaart.’
‘Dokter. .. oh... mijn God!’
‘Het zijn harde woorden, die ik tot U spreek, mevrouw. Het is
285