Maar nou de werkelijkheid van de kaai, van de haven. Die werf probeert je te scheppen door Van Dalen te kopen. En in plaats dat je naar de officier van Justitie holt om dat tuig te late op-pakke, betaal je honderdduizend gulden schadevergoeding. Honderdduizend gulden. Jonchie weet je wel wat dat is? Een ton gouds. Nee, je ken ’t niet wete, want je heb ze nooit zellef uit de stene motte hale, zoas ik.’
Eli kijkt stil voor zich uit. Geert vervolgt:
‘Me gaan verder. Die vent in Nieuw York is een dief, die in Charleston is een dief, die in Boston is een dief, die in Bahia is een dubbele dief. De zoon van je eerste klerk in le Havre is een falsaris, je volk in Lagos handelt in slaven en laat je boel verrotten. Dan heb je verder hier in je pakhuizen een stel hogeschool bandieten en op je kantoor een ploegie pennelikkers, die d’r met de zweep uitgeranseld motte worde omdat ze zitte te suffe en te lui zijn om te stinke.’
‘Here God, hoe weet U dat allemaal,’ vraagt Eli verschrikt.
‘Ik ken me vak en ik ken de mense, Eli de Fuentes. Ik ken d’r in me ouwe werkpakkie zo es doorheen banjeren. En cTr es een drinke met Jan Rap. Ook d’r es staan flodderen met een andere borrel-vent die ook floddert. Dan komp er wel wat los. Snap ie. En dat doe jij nou niet. Dat heb je niet geleerd in die kastop ’t Haringvliet.’ ‘Mijnheer, ik kan zo niet verder praten. U beledigt mij en zet mij neer als een kleine jongen. Als er werkelijk fouten zijn, die U mij op verzoek van tante Jannetje wilt mededelen, doet het dan op een andere manier. Mijn gehele wezen verzet zich tegen Uw ruwe methoden.’
Geert kijkt hem lang aan. Opeens voelt hij weer het gemis aan beschaving, waarnaar hij vooral de laatste tijd zo hunkerde. Het maakt hem onzeker en wat kleintjes zegt hij:
‘Ik ken niet anders. Ik ken het je niet anders zegge.’
Dan herwint hij zijn zelfvertrouwen, vervolgt:
‘Kijk ereis, misschien ken ’t anders gezeid, maar dat kost me te veel inspanning. De hoofdzaak is dat je geholpe mot worde en dan make zachte meesters stinkende wonden. Vertel me nou maar eerst, nou je in grote trekke toch alles weet, of ie geholpe wil worde of naar de verdommenis gaan. Ik zal je de dampe niet meer andoen, maar d’r benne nog een paar andere knapies die op je loere. Een paar van die gorilla’s die ik d’r oogies al es heb dich geslage, toen ze tege mijn te aanhalig wieren.’
284