nou ik en die erfenis. As Jannetje Batelaan er niet geweest was, had ik je al gevloerd. En graag, niet om jou, zeun, en niet om je vader, want dat was een aristocraat waar ik tege op keek. Ik weet niet waarom, maar ik had ontzag voor hem al was ’t dan niet as vakman. Maar ik zou het gedaan hebbe om Piet van Sliedrecht en z’n vader. Die hebbe m’n ouwe en mijn gejaagd; alsof we roofdieren ware hebbe ze ons gejaagd, aan ons die toch allenig naar een boterham wilden verdienen. Nou heb ie geluk, dat er een vrouw is waarom ik ’t opgeef.’
‘Gaat U trouwen met Jannetje Batelaan?,’ vraagt Eii sarcastisch. Van der Toorn kijkt hem terzijde aan.
‘Nee. Genog daarover. Waarom? dat gaat mijn allenig aan. Maar nou mot je me gauw vertelie of dat ik ie d'r door zal slepe of dat ik tante Jannetje zal gaan zegge dat je reddeloos ben.’
Eli is achter zijn antieke schrijftafel gaan zitten, staart naar buiten. Geert ijsbeert door het kantoor, de handen op de rug, met zware regelmatige pas en krakende schoenen. Eli hervat het gesprek:
‘Mijnheer Van der Toorn. Ik kan het niet begrijpen. Hoe weet U dat mijn zaken momenteel minder floreren, terwijl ik het nog nauwelijks vermoed. Hoe weet U dat ik aan de rand zou staan, terwijl mijn boekhouders mij zoiets zelfs nog niet hebben aangestipt.’
‘Aha, aha, nou kennen me gaan prate. Nou leg ik m’n rusting af.’ Omstandig ontdeed Van der Toorn zich van zijn jas ei. haisdoek en deponeerde ze samen met zijn hoed op een stoel. Toen diepte hij uit zijn achterzak zijn sigarendoos op en bood Eli aan. Behaaglijk stak hij de brand in zijn sigaar, zette zich breed in een stoel tegenover Eli en vervolgde:
‘Kijk nou eris, beste jongen. Je hebt een stelletje gauwdieven om je heen. Beginne we eerst met Van Dalen.’
‘Die is toch ontslagen?,’ protesteerde Eli.
Van der Toorn wuift met de hand.
‘Goed, goed. Hij is weg, maar die vrijer kostte je toch een ton gouds.’
‘Kon ik anders doen? Op zijn advies tekende ik de order voor dat nieuwe schip. Daarna bezwoer hij mij niet te bouwen en schadevergoeding te betalen Per slot van rekening was ik dat toch minstens schuldig.’
‘Allemaal heel netjes, allemaal heel mooi. Uit een keurige school.
283