‘Luister es, Eii de Fuentes, ik kom met U prate, niet uit plezier, niet uit weelde en niet uit arremoei. Allenig omdat ik verplichting op me genome heb tegenover een dame die je heel goed kent en nogal wat om je geeft. Maar dat rnot zij voor zich wete.’
‘Wie is die dame?’
‘Je tante Jannetje.’
‘Zo, zo, komt U namens tante Jannetje. Ik ben benieuwd.’ ‘Ik kom niet namens Jannetje Batelaan, maar op d’r verzoek. Let wel, jongeman. En nou gaan ik je efle op haar verzoek vrage om mijn te vertelle hoe je dit zakie draaiende gaat houen.’
‘Kan tante Jannetje mij dat zelf niet vragen? Sinds wanneer bedient zij zich van gezanten?’
‘Natuurlijk ken ze je dat direct vrage, jongeman. Maar al is ze heel d’r leve met het water verbonde geweest, ken jij d’r toch belazeren. En dat kan je mijn as vakman met.’
‘Ik vind Uw opmerking hoogst ongepast, nog afgezien van het feit dat ik tante Jannetje ook geen tekst en uitleg schuldig ben. Ik geloof dat wij het onderhoud heter kunnen beëindigen.’ ‘Luister es, jonchie. Je ken me natuurlijk met academische taal op m’n nummer zette. Maar dat benne toch maar woorden. De feiten ken je me niet verdoezelen. Laat ik je nou zegge, dat je aan de rand staat.’
‘U weet heel veel meer dan ik.’
‘Dat is ’t nou juist. Je weet ’t niet omdat je aan alle kanten te graze wordt genomen zonder dat je d’r een pest van merkt. Nou is ’t zo dat je tante Jannetje dat ook voelt. Zoas een vrouw altijd iets voelt, op mijlen afstand. Alleen wete ze niet waar de wolf zit en wat voor een maskeradepakkie die heb angetrokke. Omdat ze mijn kent en me toevallig een beetje vertrouwt heb ze mijn gestuurd om je een emmer water over ie koppie te gooien. Om bij te komme. Misschien blijft er dan van die grote erfenis nog een tikkeltje over.’
‘Is het dat waarover tante Jannetje en U zich zo druk maken? De erfenis. Ik meen dat ik die volledig mijn eigendom kan noemen.’
Eli zegt het hooghartig. Van der Toorn kijkt hem scherp aan, draait heftig zijn snorren op.
‘Jannetje Batelaan leeft onbezorgd van wat zij d’reige ken noeme. En as dat d’r niet meer is, dan leeft zij verder van de cente van Geert van der Toorn. Al de cente van Geert van der Toorn. En
282