‘Jannetje, luister. Laat hem nou nog een jaar of vier zwalken. Dan heb tie wel genog. En as er dan een meid voor zijn bram-staglopers komp, grijp ik hem bij zijn nek en plant hem op kantoor. Jammer voor de borst, maar je zal zien dat ik em geheid vastnagel in een goeie bedoening. Accoord?’
Jannetje knikt lachend en zegt:
‘Geert, waaraan heb ik al die goede zorgen voor mijn jongen te danken?’
‘Dat zal ik je d’r es haarfijn vertelle, Jannegie lief. Dat leit an je bekkie, an je hart en an de verschoning met een lavendelluchie, die elke Zaterdagavond op me kamer leit te wachte. Meid, je heb van een rijke schooier een stukkie van een meheer gemaakt. Ja, Jannetje, een schooier die leefde in kroegen en tussen teertouw en lading. En die met al z’n cente niet wist dat het leve zo jofel ken zijn. Daarvoor, meissie, ken je alles van me krijge en jij hoeft niet meer te geve dan nou.’
Jannetje is vuurrood geworden. Zij, die altijd beheerst weet te antwoorden kan slechts stamelen:
‘Geert, je laat me blozen. Zeg dat nu niet meer, want het zou het schone beeld aantasten van de mannen, die in mijn leven zijn geweest.’
‘Daar ken ik inkomme. Je heb altijd met hande vol gegeve en zij hebbe feitelijk verrekte weinig terug gedaan. Maar affijn, ik ben de gelijkmaker. Droog nou je ruitjes maar af. Ik gaan.’ Omstandig stond hij op, kuchte, draaide zijn snorren op en met vaste stap koerste zijn korte, zware en onverzettelijke figuur naar de Wijnhaven.
Het gaf nogal wat consternatie op de kantoren van Piet van Sliedrecht & Cie toen de felle concurrent Geert van der Toorn zich aandiende. Aller ogen waren op hem gericht toen de eerste commies hem voorging naar het kantoor van Eli de Fuentes. Maar de zware Geert bekeek hen niet, al kookte en borrelde het in hem, al h#d hij lust hen op zijn Rotterdams op hun nummer te zetten. Eli kwam hem allerhoffelijkst tegemoet, vroeg of hij hoed en jas wilde afleggen.
‘Nee,’ zei Geert, ‘ik blijf liever in mijn rusting.’
Eli vroeg of hij wilde gaan zitten. Geert zei:
‘Derekt niet. Dat leit d’r an of we same kenne prate en mekaar verstaan.’
‘Ik wacht af, mijnheer Van der Toorn.’
281