‘Van Dalen heeft geknoeid, Geert.’
‘Dat dondert niet. Al gapte hij ieder jaar tienduizenden, dan verdiende hij het met zijn vakkennis driedubbeldik terug. Meid, as tie zo doorgaat, ligt ie in vijf jaar munt.’
‘Wat is er aan te doen, Geert?’
Van der Toorn haalt de schouders op.
‘Ken ik niet zegge. Daarvoor mot ik alles wete. Eerst zien hoe het precies reilt en zeilt.’
‘Zou je niet eens willen kijken?’
‘Ik? Nooit, meissie, nooit.’
Jannetje roert nog steeds in de suiker. Om en om. Met gebogen hoofd.
‘Waarom niet, Geert?’
‘Wat gaat het mijn an. Ik ken de jongen nauwelijks en ik heb geen zin van hem een afblader te krijge in stadhuistaal, waar ik niet tege op ken.’
‘Ik zou het heel erg vinden, als het mis ging,’ zegt Jannetje za^ht. Geert kijkt haar doordringend aan. Hij wacht even met zijn antwoord:
‘Denk ie nog steeds aan Isaac de Fuentes?’
Jannetje zwdjgt, staart op het theeblad met ogen die vochtig worden. Ineens ziet zij op.
‘Ja, Geert, ja, nog steeds. Ook aan Piet van Sliedrecht. Ik wilde hun levenswerk zo graag bewaard zien.’
Geert kijkt haar van onderuit aan. Zijn rug is wat gebogen, de handen houdt hij gebald in de broekzakken.
‘Jannetje, ik ken d’r geen pest voor voelen. Zij hebbe tege me geconcurreerd, alsof ze mijn kop onder water wilden houen. Nou benne de rollen omgekeerd, as ik leve blijf vloc^ ik de erfenis van Piec van Sliedrecht en zijn maat ’
‘Waarom?’
‘Dat zei ik ommers. Luister, Jannetje, al ben ik een onbehoue bonk, ik ben een mens. Een mens dat gejaagd is geworde en nou zijn voldoening zoekt.’
‘Geert, ik mag je graag, al trouw ik niet met je. Ik geloof dat ik jou ook niet onverschillig ben.’
‘Dat weet je meid. Alles wil ik je geven, as ik allenig maar bij je kan zijn. Maar dat wat je nou vraagt is van mijn ziel.’
Jannetje staat op. Zij gaat naast hem staan. Haar nabijheid verwart hem, het zachte parfum, de gave huid van haar armen, het
275