het wel bekennen dat hij zijn best doet om zijn taal te kuisen, hoewel het hem niet lukt. Dat hij correcter gekleed tracht te gaan, ondanks het gegnuif van zijn volk en zijn maats. Dat hij stiekem boeken is gaan lezen, ’s avonds wanneer hij alleen op zijn kamer zit of ’s nachts in bed bij flakkerend kaarslicht. Op avonden wanneer het laat is geworden met laden of lossen. Hij weet heel diep in zijn binnenste een vonk van verliefdheid voor Jannetje Batclaan. Een vonk die tot gloeiend vuur wordt als Jannetje naar hem lacht met haar gave tanden en glinsterende grijsblauwe ogen. Maar hij weet ook dat hij haar nimmer zal vragen, omdat hij zich minder voelt en oud. En omdat hij zich gebonden acht tegenover de ziel van Bas Batelaan, die een schip van hem verspeelde. Maar de jonge Bas geeft hij zijn genegenheid, groot en overvloedig, omdat hij heel zijn leven nog niets geven kon. Één ding heeft zijn ontwakende beschaving nog niet bereikt en uitgeroeid. Dat is het pruimen. Ondanks zijn uiterlijk van goed gekleed heer, woelt de tabaksknobbel langs zijn wang, schiet bij tijden van links naar rechts. En hij spuwt nog steeds met virtuositeit, hoewel hij thans met gespreide hand zijn zijden wikkeldas beschermt. Maar altijd voor hij bij Jannetje de klopper op de deur laat vallen, heeft hij de pruim verwijderd en in een kroegje om de hoek met één glaasje jenever de mond gespoeld. Machtig mooi vindt hij dit gebaar om daarna met zijn zakdoek, zacht bettend, mond en snorren af te vegen. Hij heeft dat eens bij een gast van Jannetje gezien.
Langzaam valt de klopper op Jannetjes deur. Terwijl hij wacht schikt hij nog even iets aan zijn das, kijkt schichtig naar de punten van zijn schoenen. Jannetjes meisje doet open; zij lacht zeer vriendelijk, te vriendelijk, maar dat is om haar pret te verbergen om de brede zwaai waarmee Geert zijn hoed voor haar licht. Zij helpt hem vlug uit zijn jas en ook is zij rap met het openen van de huiskamerdeur, om dan snel haar jongemeisjes-proestbui in de keuken te kunnen gaan uitgieren. Jannetje komt vlug naar hem toe, geeft hem een stevige hand en de verlegen Geert gaat naar zijn vaste Zondagplaats bij het venster. Jannetje schenkt hem zijn gebruikelijke borrel en als Geert omslachtig, haast plechtig, zijn sigarenkoker uit zijn achterpand heeft opgediept en er uit opgestoken heeft, eerst dan is zijn schroom voorbij en voelt hij zich thuis. Er zijn deze avond geen gasten. Ook de kinderen van Martha de Niet zijn niet aanwezig, omdat zij ten
273