Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



‘Is er dan niets anders? Moet ik dan dat hele lange leven boeten voor een fout. Tien, twintig, vijftig jaren misschien?’

‘Het was geen fout, kind. Jullie kenden elkaar reeds jaren. Het is niet eerlijk om van een fout te spreken. Nee, er kwam later iets anders. Ik weet niet of het beter of slechter is, maar het is anders. En nu wil je dat andere, dat heel andere.’

‘Dus zal ik mijn hele leven lang....’

‘Tenzij men met harde hand het net verscheurt en het lot in eigen handen neemt,’ antwoordt Rebecca bitter.

‘Ik durf niet, mevrouw.’

‘Mijn kind, mijn kind, kon ik je helpen. Kon ik je helpen om mijn eigen leven. Om wraak op het noodlot, dat ook steeds naast mij ging met zijn grijnzende gezicht.’

Angstig loopt Treesje naast Rebecca. Zij kijkt links en rechts als een schichtige vogel. Rebecca slaat haar gade en let hierdoor niet op de weg. Pijnlijk stoot zij haar voet tegen een hobbelige steen. Haar schoenband springt los, kletterend valt haar stokje op de grond. Verschrikt grijpt zij Treesjes arm om niet te vallen. Snel heeft Treesje gebukt, geeft haar het krukkestokje in de hand en blijft op de knieën voor haar om de schoenband weer vast te maken. En Rebecca kijkt op haar neer. Zij ziet het volle zwaar golvende haar, dat achter opgekamd is. Ook ziet zij de blanke nek. Zij ziet het schokken van de schouders onder de dunne zomerjapon. Dat heftige schokken van verdriet terwijl haar nerveuze handende schoenband trachten te knopen. Een groot medelijden overvalt R.ebecca. Een hevig medegevoel voor dit kind, dat voor haar geknield ligt en rukt en worstelt met de boeien, die het zich in speelse jeugd heeft aangelegd. Boeien die door conventie en fatsoen met zwaar slot gesloten werden. Als Treesje gereed is blijft zij toch nog in haar gebogen houding voor Rebecca, op deze eenzame dijk met het bladergewelf als van een kerk en waar niemand passeert. Het bloed golft Rebecca naar het hoofd. Hier voor haar hurkt een mens, dat hulp zoekt, een verlossing vraagt aan haar. Aan haar van wie alle kinderen wegtrokken en zich verspreidden. Van wie géén haar nodig heeft, van wie haast nimmer een brief komt, die geen van allen een liefkozing bij haar zoeken. Noch raad vragen, noch steun.

‘Is het zonde, als ik hem niet vergeet?’ fluistert Treesje.

‘Ja, mijn kind, maar velen leven in zonde.’

A.ngstig kijkt Treesje op.

271

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.