Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



staat Trees je plotseling op. Zij wil snel afscheid nemen, Rebecca is haar echter voor.

‘Breng mij naar mijn rijtuig terug, Treesje. Het pad is steil en je weet dat ik nog maar moeizaam loop.’

Zwijgend steunt Treesje bij het beklimmen van het achterdijkse pad Rebecca onder de arm. Boven gaat Rebecca nog langzamer dan gewoonlijk, een kwelling voor Treesje. Rebecca hervat het gesprek, niet meer gehinderd door de inspanning van het klimmen.

‘Vrouwtje, luister eens. Ik ben oud. Naar het uiterlijk somber, stuurs en hard. Dat ben ik geworden in bijna zeventig jaren. Ik ben geweest zoals jij, jong, verlangend, verliefd. Ik kreeg een man, terwijl ik naar een ander verlangde. Ik heb de eerste jaren van mijn huwelijk doorgeworsteld, bij tijden bedroefd, bij tijden vrolijk, soms wat hartstochtelijk omdat ook mijn bloed jong was. En horig aan de natuur. Ik ben mijn man in de loop der jaren gaan waarderen om zijn levenshouding, zijn plichtsgevoel, zijn vader zijn. Ik ben van hem gaan houden, niet wild, niet waanzinnig. Zijn herinnering is mij dierbaar, mijn jeugd en mijn verlangen zijn vergeten. Maar toch, heel ver weg flikkert nog iets van toen, een halve eeuw geleden. Een herinnering aan iets dat mooi was, lief, innig, gelukkig. Misschien fantasie, goed, maar omdat ik mij dan verbeeld het nog even te zien glimmen, kan ik je doorzien. Kan ik je zeggen dat je de waarheid niet sprak!’

Zwijgend, zachtjes snikkend gaat Treesje naast haar.

‘Huil maar eens uit, kind. Bij mij, die harde, stugge, gesloten onzijdigheid ben je veilig. Tot mij kun je spreken, zoals de roomsen fluisteren tot hun beeltenis van Maria. Of liever nog, mijn kind, ik zal het je vertellen en jij zult alleen maar denken dat je tot mij sprak.’

Rebecca staat even stil, haar ogen kijken omhoog naar het bladergewelf alsof zij het Opperwezen tot getuige roept.

‘Er is een andere man in je 'even gekomen. Een man die jij krankzinnig liethebt en begeert. Je hebt je verlangen onderdrukt omdat je Eli niets wilde aandoen en je plicht niet verzaken, je hebt je medelijden doen zegevieren over je verlangen. En deze man heeft zich geschikt naar je opvatting. Hit fatsoen. Het is in kracht van gewijsde, mijn kind, je zult de weg moeten gaan. Zoals duizenden vrouwen en ook ik gegaan zijn.’

270

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.