Treesjc kijkt naar de grond en zegt dan zacht:
‘Misschien harmoniëren Jozef en Eli niet. Zij zijn zo verschillend van karakter.’
‘Mogelijk,’ zegt Rebecca kort, ‘maar, waarom kwam jij niet eens bij een eenzame vrouw, die zo graag wat jeugd om zich heen heeft?’
‘Ach, mevrouw, er is zoveel...’
Rebecca kijkt op. Haar donkere ogen peilen Treesjes gezicht, dat nu in de verte staart, terwijl haar vingers nerveus met de beugel van haar tasje spelen. Rebecca ziet wat donkere schaduwen onder de ogen, twee fijne rimpeltjes van de neusvleugels naar de mondhoeken. En de lippen zijn niet meer onbevangen en rood, doch flets. Rebecca blijft haar aanzien. Zij zegt:
‘Mijn kind, de meeste huwelijken beginnen zonder illusies, zonder genegenheid. De partijen weten dat zelf niet of willen het niet weten, omdat zij zich schamen voor de wereld. Maar, Treesje, dan komen de jaren van alledag, met vallen en opstaan, met ziekte en zorg. Dan rijpt meestal een genegenheid die hecht is en niets te maken heeft met het strovuur van de hartstocht uit de eerste huwelijksmaanden. Stel je eisen niet te hoog; wat je krijgt zal in je ogen meer dan genoeg zijn. Het is te hopen, dat er spoedig een kindje zal komen.’
‘Mevrouw, ik hou wel van Eli. Maar er is iets, ik weet niet wat, dat alles anders maakt dan ik gedacht heb.’
Er is lichte trilling in Treesjes stem, die Rebecca niet ontgaat. Zij vervolgt:
‘Zijn zaak is zijn vrouw, zijn geld zijn maitresse. Ik besta voor hem als een sieraad. Misschien het mooiste van zijn uitrusting, maar een sieraad. Ik voel mij zo eenzaam. Ik gruw van zijn geld-’
‘Is dan alle schuld op Eli, Treesje. Heb je jouw ziel geheel doorzocht en heb je dan geen enkel foutje bij jezelf gevonden?’ ‘Neen, mevrouw, ik heb geen fout gemaakt. Want ik wilde er geen maken tegenover Eli. Ziet U, ik was een onbemiddeld meisje en hij heeft mij uitverkoren en is consequent zijn belofte nagekomen. Alles even correct, alles even correct.’
De laatste woorden heeft Treesje bitter gefluisterd.
‘Welke fout had jij kunnen maken, mijn kind?’
Rebecca zag Treesje niet aan, toen zij dit vroeg, keek naar de hoge dijk met halfgenepen, zinnende ogen. Verward en ontdaan
269