‘Meissie, belazer je me nou?’ vraagt hij zacht.
‘Ik vertrouw je mijn kind toe.’
‘Godsamme, godsamme, kom mee de lucht in, ik stik hier haast,’ gromt de reder.
Hij smijt geld op de toog voor de waardin en is met een paar korte driftige passen bij de deur. Met zijn voet stoot hij deze open, wenkt Jannetje om voor tc gaan. Buiten gaan beiden nog enige stappen te zamen. Dan staat hij stil.
‘Wanneer stuur je dat jong?’
‘Morgenavond.’
‘En as ik em nou angemonsterd heb, dan ken ik zeker opdondere, niet.’
‘Van der Toorn, als je zo praat, kun je dat direct wel doen. Dan zoek ik een andere reder op.’
‘Waarom kwam ie dan bij mijn. Voor het gemak soms?’ vraagt hij kwaadaardig.
‘Luister, reder,’ zegt Jannetje tegen de ongeduldig op zijn zeebenen wiebelende Geert, ‘mijn zoon wilde bij jou varen om het schip dat zijn vader verspeelde voor je terug te verdienen. Ik heb hem verteld dat je verzekerd was. En nu wil hij varen voor zijn vaders reputatie. Want Bas was de beste schipper van de haven.’ Geert staart naar de grond.
‘Vergeet ’t maar. Ik ben soms een beetje heet gebakerd,’ zegt hij kleintjes.
‘Nu, Geert, voor vandaag neem ik afscheid van je. Maar Zondag zie ik je graag bij ons ten eten.’
Jannetje zei het met plagerig gezicht, Van der Toorn is er geheel door verward. Dan zegt hij braniachtig:
‘Je zei daarnet zoiets van doek minderen, meissie.’
‘Inderdaad, Geert. De zeilen liggen voorgoed gestreken. Maar een praatje op het dek in de neigende zon van de levensavond, dat past bij onze leeftijd. Tot Zondag. .. eenzame brulboei.’ Snel draaide Jannetje zich om en ging haar weg. Geert van der Toorn bleef sprakeloos achter, ontdaan, want Jannetje had met haar laatste twee woorden zijn levensgeheim geopenbaard. Een geheim dat hij dacht alleen met zichzelve te delen.
Het is midden zomer. Het jaar 1859 geeft vele mooie en warme dagen en het verlokt Rebecca Davidson om eens een wandeling te maken. Een rijtuig heeft haar naar het tolhuis, de Bonte Paal,
267