Jannetje kijkt hem ernstig aan, maar dan beginnen opeens de lichtjes in haar ogen te twinkelen.
‘Geert, er waren drie mannen in mijn leven en ik ben negen en vijftig jaar. Geloof je niet dat het tijd geworden is om doek te minderen?’
‘Godsamme, heb ik effe pech.’
Maar met een harde klap slaat hij met de rug van zijn rechterhand op tafel en vervolgt:
‘Leg in, meid. Je ken op Geertje rekenen, want zijn ziel en z’n cente vraag je nou toch niet meer.’
Jannetje legt haar mooie verzorgde hand in de zijne, die hard en eeltig is. Haar ogen schitteren van plezier, haar gave tanden blinken. Geert kijkt naar haar, terwijl hij zijn hand krachtig om de hare sluit.
‘Godsamme, Godsamme, wat een rotnummer van een pechvogel ben ik toch.’
En nijdig schudt hij zijn walrussenkop.
‘En nou, komp ’t nog?’
‘Geert, mijn zoon wil naar zee.’
‘Nou heb Batelaan rust. En wat mot ik?’
‘Jij moet hem een plaatsje geven,’ knikt Jannetje.
‘Voor de mast?’
‘Er is geen keus. Hij wil direct varen. Hij is zo resoluut als zijn vader zaliger.’
‘Jannetje Batelaan, stuur je zoon. Hij begint voor de mast, maar as tie verstajem heb, vaart ie voor mijn nog es as schipper.’ Jannetje kijkt hem dankbaar aan, maar dan is er iets in haar blik, dat hem doet vragen:
‘Mot ie ’s avonds toegedekt worde en ’s nachts op het potje?’ Snedig pareert Jannetje:
‘Dat wil ik zelf blijven doen. Zo tussen die korte reizen, als hij bij mij thuis is.’
‘Denemarkten, Engeland, lijkt U dat, dame?’
‘Je kent het, Geert.’
‘Wat?’
‘Een vrouwenziel peilen,’ spot Jannetje zacht, ‘ik had zo een medeleven niet verwacht achter die zware snorren.’ W'antrouwend, maar gevleid, kijkt Geert van der Toorn vanuit de hoeken van zijn ogen naar Jannetje, onderwijl met brede halen zijn snorren opdraaiend.
266