Jannetje liep stijfjes naast de reder, die zijn handen in zijn broekzakken gestoken had en heftig pruimend naast haar ging.
‘Mot U me op kantoor spreke of ken ’t in dat kroegie bij een pot bier?’
Jannetje dacht aan het donkere kantoor en de kletsende, oude klerk. En zij dacht aan de meesmuilende blikken van de andere klerken en commiezen. Neen, dan wilde zij liever de ruwe, eerlijke kroeg aan de Maas.
‘Om het even, reder.’
‘Dan gane me de kroeg in,’ zei hij resoluut.
Binnen zette hij zich breed en zwaar neer bij het raam. Met een boog spoog hij zijn tabakspruim in de zandbak en dan met één teug, dronk hij zijn glas bier leeg, dat hij bij het binnenkomen en passant van de waardin had aangenomen. Zijn grote snor droogde hij behaaglijk met de rug van zijn hand. Toen stak hij zijn duimen in de armsgaten van zijn vest en leunde met zijn stoel achterover. Onderwijl keek hij met welgevallen naar Jannetje, die een dankwoord stamelde tegen de waardin, die haar een glaasje boerenjongens bracht.
‘En nou, wat mot ’t, juffrouw?’
‘Reder, ik zal eerst zeggen wie ik ben. Jannetje Batelaan.’
Geert van der Toorn schiet naar voren.
‘Jezus, meid, ben jij Jannetje van Bas Batelaan die verzopen is?’ Jannetje verschiet van kleur, buigt het hoofd en roert nerveus de rozijnen in haar glaasje, om en om.
‘Godsatnme,’ gaat Van der Toorn verder, ‘ik heb je geen pijn willen doen. Maar het is inenen nieuws waar je van schrikt. Zo gaat dat.’
‘Het is al goed, reder. Ik heb het al verslikt,’ glimlacht Jannetje. En wanneer Jannetje glimlacht is zij nog steeds zeer bekoorlijk ondanks haar negen en vijftig jaren. Het wordt Geert van der Toorn warm om het hart en gul zegt hij:
‘Nou, meid, d’r uit met je rotzooi. Zeg het maar, benne je cente op ?’ ‘Goddank niet, reder. Bas heeft zeer goed voor mij gezorgd en daarbij had ik nog wat.’
‘Luister es, meissie. Nou mot je ophouwe met je gereder. Daar krijg ik ’t heen en weer van. Zeg nou maar Geert en as je dat te innig is, Van der Toorn.’
‘Goed,’ lacht Jannetje, ’Van der Toorn dan.’
‘Jammer, ik hoor liever Geert uit zo een bekkie.’
265