zelden ten kantore kwam. Meestal was hij bij de havens of langs de rivier, te midden van zijn bootwerkers en zijn matrozen. Indien zij hem wilde vinden, dan deed zij het beste hem op de Boompjes te zoeken.
Jannetje zei hem dat zij de reder niet kende, waarop de klerk haar een beschrijving gaf, toen hij haar tot de buitendeur bracht. ‘Het is een kleine, zware ondersteek van een mens. Hij heb altijd een pet op z’n kop, daar gaat ie geloof ik mee naar bed. En dan pruimt ie altijd. Da’s niks bezonders zal U zegge, maar zo as hij pruimt doet het niemand. Blijf maar een paar meter uit zijn vaarwater, het kost U anders een nieuwe japon.’
‘Maar hoe herken ik hem dan?’ vroeg Jannetje een beetje Ongeduldig.
‘Dat zee ik ommers. Maar goed, as U nou een troep varensgasten an de kaai ziet en d’r is er één tussen die het hoogste woord heb en midden in de flodders staat, nou dan heb ie Geert van der Toorn.’ ‘Is het een kwaje?’
‘Nou, as ie het op z’n heupe heb. Maar voor een vrouw, nee, daar heb ie een zwak voor, tenminste later. Eerst mot ie wete of ze op z’n cente loeren en of ie d’r mee uit ken gaan allenig op een potje bier. Dan heb ie geen kind an em.’
‘Is hij een goede baas?,’ vroeg Jannetje een beetje angstig. ‘Nou, betale doet ie niet slecht. En hij schuift ook wel wat af, as d’r es een in de rottigheid zit. Dat doet ie dan stiekem, maar voor mijn ken die toch niks verbergen. Maar werke motte we as paarde. En as ie het effe lappen ken, laat ie op Zondag uitvaren. Dat spaart weer een dag. Je krijgt geen hoogte van em. Dikwijls is ie een rotvent en soms lijkt ie de engel Gabriël. Nou, joffer, de zegen en spaar em niet.’
Toen draaide hij zich om, ging naar binnen en Jannetje sloeg de hoek om naar de Boompjes. Het was maar even zoeken. Ze vond de kleine, zware reder, druk pratend tussen een troep zeelieden. Dodelijk verlegen, maar uiterlijk resoluut en een beetje hautain ging Jannetje op hem af.
‘Bent U de reder Geert van der Toorn?’
Verbaasd hield de reder zijn mond, tikte aan zijn pet, zei toen: ‘Dat is ie, helegaar, juffrouw.’
‘Ik wilde U spreken.’
‘Dat ken, dat ken altijd. Kom U maar mee. Nou, manne, de groeten. Ik zien jullie strakkies nog wel.’
264