worden dan anderhalf jaar geleden, toen hij gekomen was om haar te condoleren met de dood van Isaac de Fuentes. Aileen de ogen zijn nog pienter, hoewel de glans aan het sterven is. Jannetje zet zich stil aan zijn bed, knikt hem vriendelijk toe. ‘Dag mijnheer Alter, hier ben ik.’
‘God zij geloofd, juffer Jannetje, ik doch dat U niet komme wou.’ ‘Waarom niet, Bennie?’
‘Ach hoor toe. Het is al zoveel dage geleje, da’k het vroeg.’
‘Ik hoorde het eerst vanmorgen, Bennie. Ik ben direct gekomen.’ ‘Niet jokke, niet jokke, meissie. Ik heb het verleje maand al gevraag, Maar ik vergeef je want je hebt beter te doen.’
Jannetje zwijgt. Zij kijkt naar zijn ogen die hij nu gesloten heeft. Zij ziet de donkere schaduwen in de oogholten. Zij ziet de dood die zijn gruwelijk spel speelt van kat en muis. Zij ziet dat Bennie Alters geest niet meer in orde is. Daarom zwijgt zi), want zij wil niet redetwisten met een mens die sterven gaat.
‘Antwoord nou, meissie.’
‘Ja, Bennie, ik had het druk, daarom kon ik niet eerder komen.’ ‘Hij laat je veel te hard werken,’ gromt Bennie.
‘Wie?’
‘Kom, meissie, ik weet alles. Voor mijn kan je niks verbergen. Voor wie? oi, voor Isaac de Fuentes natuurlijk.’
Er springen tranen in Jannetjes ogen. Nerveus spelen haar vingers met haar reticule, terwijl zij het hoofd gebogen heeft. Als zij weer opkijkt, ziet zij in het gezicht van Bennie Alter. Hij neemt haar scherp op met koortsig grote ogen, waarvan de pupillen diep zwart zijn. En toch ziet hij haar niet.
‘Mijnheer Van Sliedrecht was daarnet ook hier. Helemaal in het wit. Net een matzebakker. Hoe kan men met zoveel geld; hoe kan men zich niet een zwarte rok kopen, als men naar een stervende gaat.’
‘Weet U het nu wel zeker, Bennie. Was het nu niet iemand die IJ bezoeken kwant?’
‘Ja, iemand anders. Ja, Bennie vergist zich ooit. Hij was het. .. hij.. . met mijn vrouw. Ken je niet, Jannetje... mijn Judith. Een schoonheid.. . zwart haar.. . glimmend van de olijfolie, waarmee ze het borstelt. En jouw ogen, Jannetje, maar dan donker. Wat dee ze met Van Slied 'echt hier? Ik zal op d’r motte letten.’
‘Bennie, mijnneer Van Sliedrecht was alleen.’
259