toespraak een streep zette onder een verlokkend avontuur. Hij wil het echter aannemen omdat hij Wiilem Honing als een rechtschapen mens heeft leren kennen. Honings laatste gesprek met Eli is hem ontgaan, zo was hij verdiept in Treesje en zijn eigen gedachten.
Plotseling staat Rebecca op volgens haar oude gewoonte. Zij verontschuldigt zich en groet allen. Dit is het sein tot opbreken. Men neernt afscheid met vele goede wensen. Willem Honing drukt Eli de hand en geeft Treesje een bijzonder kneepje, terwijl hij haar strak aankijkt met zijn lachende ogen. Zinnend en ernstig staarde hij Eli’s wegratelend rijtuig na, dat zijn liefde meevoert, terwijl de vrienden cn Jozef luidruchtig wuifden en zwaaiden met hun wandelstokken.
En op de eerste Vrijdag, die volgde op deze avond, ging Treesje op zoek naar Willem Honing. Zij vroeg een Joodse koopman, die met zijn hondenwagen door de polders trok, of hij soms een heer kende, die iedere week hier een wandeling maakte. De koopman wras zeer vriendelijk en behulpzaam en liet haar op zijn wagen meerijden tot een herberg, waar hij wist dat de wandelaar iedere Vrijdagmiddag zi|n koffie dronk.
Treesje de Niet sprak met Willem Honing.
Hij liefkoosde haar gezichtje met zijn harde hand. Hij kuste heur haar, het voorhoofd en de slapen.
En haar zachte, grijze ogen tastten zijn gezicht af, telkens weer. Want zij was ziek van liefde voor hem.
Ongeveer drie weken later trouwde Treesje met Eli de Fuentes. In grote stijl, zoals het paste bij zijn stand als reder en koopman. Een der rijksten van Rotterdam.
De ochtend van haar huwelijksdag vertrok Willem Honing naar West-Afrika om een haven te bouwen. Hij ging stil en ernstig naar zijn post in de grote eenzaamheid.
In de zomer van dat jaar 1858 ontving Jannetje Batelaan een bericht uit het Israëlietische oudeliedengesticht met het verzoek een bezoek te willen brengen aan de verpleegde, Bennie Alter. Jannetje kleedde zich in stemmig donker en tegen de middag kwam zi] bij de oude man. Hij ligt stil in zijn bed, de wangen zijn nog meer ingevallen en de huid is nog doorschijnender ge-
258